Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 6 oktober 2017
ECLI:NL:RBLIM:2017:9730
Taurus Velden B.V./werknemer
Feiten
Werknemer is op 20 december 2008 bij Taurus in dienst getreden en vervult thans de functie van assistent-bedrijfsleider. Werknemer is de zoon van de directeur van Taurus. Tussen werknemer en de directeur hebben zich regelmatig incidenten op de werkvloer voorgedaan. Op 27 mei 2016 vond op het kantoor van de directeur een incident plaats, waarna werknemer zich op 28 mei 2016 ziek heeft gemeld. Naar aanleiding van voornoemd incident heeft Taurus werknemer bij brief van 30 mei 2016 op staande voet ontslagen. Dit ontslag is op 6 juni 2016 weer ingetrokken. Door de bedrijfsarts is op 5 oktober 2016 geconstateerd dat werknemer niet meer kan terugkeren naar Taurus, zodat re-integratie in spoor 1 niet mogelijk is. Vervolgens is re-integratie in spoort 2 ingezet. Taurus verzoekt onder meer de arbeidsovereenkomst te ontbinden op basis van de g-grond. Bij wijze van voorwaardelijk tegenverzoek verzoekt werknemer onder meer toekenning van een billijke vergoeding.
Oordeel Weliswaar grondt Taurus haar ontbindingsverzoek op een verstoorde arbeidsverhouding, maar alle feiten en omstandigheden die zij aan dit verzoek ten grondslag legt, hebben betrekking op de arbeidsongeschiktheid en de re-integratie-inspanningen van werknemer. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat het ontbindingsverzoek verband houdt met de ziekte van werknemer. Het opzegverbod tijdens ziekte is dus onverkort van toepassing. De kantonrechter is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een situatie waarbij het in het belang van werknemer wordt geacht dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden. Uit de door partijen overgelegde correspondentie is duidelijk dat partijen van mening verschillen over de invulling van de functie van werknemer. Een en ander is geëscaleerd op 27 mei 2016. Duidelijk is dat de verhouding tussen partijen sindsdien en nadien ernstig is verstoord. Belangrijk is de passage uit het deskundigenoordeel van het UWV van 26 oktober 2016 waarin ondubbelzinnig is geconcludeerd dat terugkeer van werknemer naar Taurus een verslechtering van zijn gezondheid zal zijn en/of het herstel belemmert. Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat er sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van werknemer behoort te eindigen. Daarbij merkt de kantonrechter nog op dat partijen niet slechts werkgever en werknemer zijn, maar ook vader en zoon. De ontstane situatie heeft ook veel invloed op de privélevens van partijen. Voortzetting van het dienstverband – ook al is dit alleen gericht op re-integratie in spoor 2 – werkt alleen maar spanningen in de hand en zou ook de privérelatie nog verder verstoren. De kantonrechter kent aan werknemer een transitievergoeding toe. De kantonrechter is tevens van oordeel dat Taurus in de onderhavige kwestie ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Niet betwist is dat werknemer door de voortdurend oplopende spanningen met de directeur ziek is geworden. Dit op zichzelf acht de kantonrechter al verwijtbaar, aangezien van een werkgever mag worden verwacht dat hij in een dergelijke situatie passende maatregelen treft om te voorkomen dat een werknemer ziek wordt als gevolg van spanningen op de werkvloer. De wijze waarop Taurus echter ná de ziekmelding van werknemer heeft geacteerd door al in een vroeg stadium aan te sturen op een beëindiging van het dienstverband, toen er nog geen sprake van was dat Posse Novum en het UWV terugkeer van werknemer binnen Taurus niet geïndiceerd vonden, acht de kantonrechter ernstig verwijtbaar en ook zeker niet in het belang van het herstel van werknemer. Ook de omstandigheid dat Taurus gedurende de arbeidsongeschiktheid van werknemer het onderhavige verzoek indient, rekent de kantonrechter Taurus zwaar aan. Gelet op het ernstig verwijtbaar handelen van Taurus acht de kantonrechter het in de eerste plaats geïndiceerd dat werknemer de gelegenheid krijgt om aan zijn herstel te kunnen werken, zonder dat hij financieel in een slechtere positie komt te verkeren dan bij voortzetting van het dienstverband het geval zou zijn geweest. Daarenboven is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van immateriële schade aan de zijde van werknemer, veroorzaakt door het handelen van Taurus. In de genoemde omstandigheden ziet de kantonrechter aanleiding om in de billijke vergoeding een component van € 10.000 aan immateriële schadevergoeding te verdisconteren. Alles overziende acht de kantonrechter het aangewezen de billijke vergoeding te bepalen op een afgerond bedrag van € 25.000 bruto.