Naar boven ↑

Rechtspraak

PDX Services BV/werkneemster
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 10 oktober 2017
ECLI:NL:GHARL:2017:8790

PDX Services BV/werkneemster

Aansprakelijkheid werkneemster voor schade werkgever op basis van huishoudelijk reglement? Artikel 7:661 BW. Indien werkgever bepaalde gestelde feiten bewijst, mag bewuste roekeloosheid worden aangenomen.

Feiten

Werkneemster is in 2013 in dienst getreden bij PDX Services BV (hierna: PDX) in de functie van horecamedewerkster. Bij brief d.d. 20 februari 2015 heeft PDX aan werkneemster medegedeeld dat een nettobedrag van € 1.239,60 wordt ingehouden op haar maandloon en vakantiebijslag in verband met door Vodafone bij PDX in rekening gebrachte kosten voor het overschrijden van de datalimiet door het activeren van een bepaalde livestream op de laptop. In deze brief staat ook dat werkneemster tijdens gesprekken met X op 2 en 11 februari 2015 heeft aangegeven dat zij de waarschuwingsberichten heeft gezien maar er bewust voor heeft gekozen daar niets mee te doen. Op 16 april 2015 is de arbeidsovereenkomst tussen partijen geëindigd. Werkneemster heeft gevorderd dat PDX wordt veroordeeld tot betaling van € 1.239,60 netto ter zake van ten onrechte ingehouden loon met vakantiebijslag en tot betaling van de vergoeding voor de geschonden aanzegtermijn. De kantonrechter heeft de vorderingen van werkneemster toegewezen. Tegen dit vonnis komt werkgever in hoger beroep.

Oordeel

Volgens PDX is artikel 7:661 BW in dit geval niet van toepassing omdat het dataverbruik uitsluitend voor privégenot van werknemer strekte en omdat de extra kosten niet aangemerkt moeten worden als schade. Het hof ziet echter niet in waarom het vermogensrechtelijke nadeel dat PDX wenst af te wentelen op werknemer niet als schade van PDX aangemerkt zou dienen te worden. Die schade is veroorzaakt doordat werkneemster tijdens haar werkzaamheden naar muziek heeft geluisterd. Daarmee is het functionele verband tussen het ontstaan van de schade en de uitvoering van de werkzaamheden gegeven. Artikel 7:661 BW strekt ertoe te voorkomen dat de sociaal-economisch zwakkere werknemer de gevolgen moet dragen van zijn onzorgvuldige taakuitoefening, mede gelet op het ervaringsfeit dat in de dagelijkse praktijk niet steeds even zorgvuldig wordt gehandeld. Dat is anders bij opzet of bewuste roekeloosheid, of wanneer sprake zou zijn van de uitzondering in de tweede zin van het eerste lid van artikel 7:661 BW (omstandigheden van het geval). De afwijkingsmogelijkheid van het tweede lid is in dit geval evenmin aan de orde. Weliswaar is, met het ondertekende huishoudelijk reglement, voor de daarin genoemde gevallen schriftelijk afgeweken van de hoofdregel, maar PDX heeft niet gesteld dat werkneemster voor die schade is verzekerd en dat is evenmin gebleken. Daarom zal moeten worden beoordeeld of werkneemster opzet dan wel bewuste roekeloosheid kan worden verweten, zoals PDX subsidiair heeft gesteld. PDX heeft niets aangevoerd waaruit volgt dat werkneemster de bedoeling had schade toe te brengen aan PDX. Van opzet is dan ook geen sprake. Indien zou komen vast te staan dat werkneemster tevoren door X is gewaarschuwd voor overschrijding van de databundel en de daaraan voor werkneemster verbonden kosten en dat X erop heeft gewezen hoe zij die kosten kon monitoren, en indien voorts zou komen vast te staan dat werkneemster meer dan eens een waarschuwingsbericht (of pop-up) omtrent het (naderend) overschrijden van de limiet heeft weggeklikt alvorens zij meer data verbruikte, dan mag worden aangenomen dat zij een bewuste keuze heeft gemaakt om te handelen zoals zij gedaan heeft, in de wetenschap dat daaraan extra kosten verbonden waren. In die situatie is niet van belang of zij per ongeluk een livestream heeft gestart, omdat zij dan immers na het negeren van ten minste twee waarschuwingssignalen voor haar rekening en risico heeft genomen dat kosten werden gemaakt die op haar verhaald zouden worden. Dat dit het geval is, volgt niet uit de bewijsmiddelen die nu voorhanden zijn. De schriftelijke verklaring van X is betwist, evenals de door PDX gestelde inhoud van de gesprekken op 2 en 11 februari 2015. Nu PDX heeft aangeboden haar stellingen door middel van getuigen te bewijzen, wordt zij tot bewijslevering toegelaten. PDX voert voorts aan dat de kantonrechter ten onrechte van haar heeft verlangd dat zij bewijst dat PostNL een afhaalbericht heeft achtergelaten op het adres van werkneemster nadat de aangetekende brief van 27 februari 2015 niet op dat adres werd aangenomen. PDX heeft voorts scangegevens en een nadere uitleg van PostNL overgelegd. Uit die uitleg volgt dat het de gebruikelijke werkwijze is om een afhaalbericht achter te laten, maar niet dat dit ook in dit geval is gebeurd en nu werkneemster blijft betwisten dat zij zo’n bericht gekregen heeft, kan het hof er niet van uitgaan dat dit wel zo is. PDX heeft voorts herhaald dat zij de bewuste brief ook niet aangetekend naar werkneemster heeft verstuurd en zij heeft gewezen op schriftelijke verklaringen van A en directeur B. Daaruit blijkt volgens haar dat werkneemster begin maart 2015 wel degelijk de aanzeggingsbrief van 27 februari 2015 had ontvangen. Werkneemster heeft op haar beurt herhaald dat zij deze aanzeggingsbrief ook niet per gewone post heeft ontvangen. De overgelegde schriftelijke verklaringen zijn volgens haar leugenachtig. Wat daarvan overigens ook zij, als onbetwist staat vast dat werkneemster wel het e-mailbericht van 25 maart 2015 heeft ontvangen. Dat brengt mee dat de grief in ieder geval gegrond is voor zover daarmee wordt opgekomen tegen het feit dat de kantonrechter geen rekening heeft gehouden met het feit dat op grond van de tweede zin van artikel 7:668 lid 3 BW dan een vergoeding naar rato is verschuldigd. PDX heeft deze berekend op € 412,90 bruto en tegen deze berekening heeft werkneemster zich niet verweerd, zodat daarvan wordt uitgegaan. Indien PDX wenst te bewijzen dat zij in het geheel geen vergoeding verschuldigd is omdat de opzeggingsbrief van 27 februari 2015 werkneemster wel heeft bereikt, dan wordt zij daartoe overeenkomstig haar aanbod toegelaten. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.