Rechtspraak
werknemer/werkgeverGerechtshof Amsterdam, 18 juli 2017
werknemer/werkgever
Feiten
Werknemer is na een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd op 1 juli 2005 als (loket)bediende voor onbepaalde tijd in dienst getreden van werkgever. Werkgever was onderdeel van een internationale keten van zusterbedrijven die vanuit Spanje werd aangestuurd. Met ingang van 8 maart 2011 is werknemer als statutair bestuurder van werkgever benoemd. Op 14 december 2015 heeft werknemer een bedrag van € 55.658,90 netto aan zichzelf uitgekeerd met de omschrijving ‘achterstallig loon’. Bij e-mail van 17 februari 2016 heeft X (mede-statutair bestuurder) werknemer verzocht om terugbetaling van dat bedrag. Bij brief van 19 februari 2016, aan werknemer persoonlijk overhandigd op 22 februari 2016, heeft X werknemer uitgenodigd om de algemene vergadering van aandeelhouders op 17 maart 2016 (verder: de AVA) bij te wonen. Bij brief van 22 maart 2016 is de schorsing en het ontslag van werknemer als statutair bestuurder van werkgever op 17 maart 2016 met onmiddellijke ingang door werkgever aan werknemer bevestigd. Tevens is bij deze brief aan werknemer meegedeeld dat werkgever op 17 maart 2016 de arbeidsovereenkomst tussen partijen heeft opgezegd op grond van dringende redenen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat werknemer terecht op staande voet is ontslagen. Tegen dit vonnis komt werknemer in hoger beroep.
Oordeel
Dringende reden
Het hof is – met de kantonrechter – van oordeel dat het werknemer niet vrijstond om het bedrag, dat hem naar eigen zeggen aan achterstallig salaris over de periode 2011-2015 toekwam, zonder meer aan zichzelf uit te betalen. Dat werknemer meende dat hij op grond van de overeenkomst van 10 februari 2006 gerechtigd was tot de gewraakte uitbetaling is daartoe onvoldoende omdat dat nog niet betekent dat hij zonder voorafgaand overleg en zonder voorafgaande instemming van werkgever gerechtigd was tot betaling. Het bedrag van de betaling was immers substantieel (bruto ongeveer twee jaarsalarissen) en de betaling daarvan uitsluitend in het belang van werknemer en niet in het belang van werkgever. De betaling op 14 december 2015 door werknemer aan zichzelf is dan ook volgens het hof een dringende reden in de zin van artikel 7:677 BW.
Onverwijld
Het hof is van oordeel dat werkgever voldoende voortvarend heeft gehandeld. Dat geldt voor het door haar verrichte onderzoek, voor de schorsing van werknemer, voor de overhandiging aan werknemer van de uitnodiging voor de AVA met vermelding van de uitbetaling en het daarop gegronde voorstel tot schorsing en ontslag van werknemer als statutair bestuurder van werkgever, en voor de datum waarop de AVA gehouden is. Onder deze omstandigheden maakt het enkele feit dat de AVA negen dagen later heeft plaatsgevonden dan ingevolge de statutaire oproepingstermijn van vijftien dagen mogelijk zou zijn geweest niet dat ten aanzien van het tijdens de AVA kennelijk medegedeelde en bij brief van 22 maart 2016 toegelichte ontslag op staande voet niet aan het onverwijldheidsvereiste is voldaan. De andere statutair bestuurders en de aandeelhouder van werkgever waren immers werkzaam en woonachtig in Spanje en met hun agenda’s diende rekening te worden gehouden. Werkgever mocht in redelijkheid de vergadering zo plannen dat zij bij de AVA in persoon aanwezig zouden kunnen zijn en aannemelijk is dat de planning van hun reis en verblijf enige tijd heeft gekost. Het voorgaande brengt mee dat het aan werknemer gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is.