Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 17 oktober 2017
ECLI:NL:RBLIM:2017:10039
werknemer/Stichting Het Robertshuis
Feiten
Werknemer is op 4 april 2016 in dienst getreden bij De Visie op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Per 4 november 2016 is de arbeidsovereenkomst voor de tweede maal verlengd voor bepaalde tijd en wel tot en met 3 juli 2017. De arbeidsovereenkomst is nadien niet voortgezet. Werknemer verzoekt Robertshuis te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens het niet-nakomen van de aanzegverplichting als bedoeld in artikel 7:668 lid 1 aanhef en onderdeel a BW. Aan dit verzoek legt werknemer ten grondslag dat de voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst op 4 juli 2017 geƫindigd is en dat Robertshuis verzuimd heeft om hem uiterlijk een maand voorafgaand aan die einddatum schriftelijk te informeren over het al dan niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst.
Oordeel
Robertshuis heeft als meest verstrekkend aangevoerd dat werknemer niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, omdat hij de verkeerde procespartij heeft opgeroepen. Uit de in het geding gebrachte ondertekende arbeidsovereenkomst blijkt dat werknemer een arbeidsovereenkomst is aangegaan met De Visie B.V. Dit betekent dat werknemer de verkeerde procespartij heeft opgeroepen en in zijn verzoek niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het vorenstaande brengt met zich dat de kantonrechter niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling. Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat, in het geval zij wel tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek was toegekomen, het verzoek niet voor toewijzing in aanmerking zou zijn gekomen. Uit de parlementaire geschiedenis en rechtspraak blijkt dat een aanzegging bij indiensttreding kan geschieden en dat ook dan sprake is van een tijdige mededeling. Nu De Visie bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst in artikel 3 van de arbeidsovereenkomst heeft aangezegd dat de arbeidsovereenkomst na afloop niet verlengd zal worden, heeft De Visie aan de in artikel 7:668 lid 1 aanhef en onderdeel a BW neergelegde schriftelijke aanzegverplichting voldaan. Er zijn geen omstandigheden gesteld dan wel anderszins gebleken die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden.