Rechtspraak
werknemer/werkgeverRechtbank Zeeland-West-Brabant, 12 oktober 2017
werknemer/werkgever
Feiten
Werknemer is met ingang van 2 mei 2011 in dienst getreden bij werkgever. Op 4 april 2016 heeft werkgever met werknemer een studieovereenkomst gesloten. Hierin is opgenomen dat werkgever de kosten voor een opleiding zal vergoeden in de vorm van een studielening (€ 3.000). Kort gezegd zijn partijen overeengekomen dat ieder jaar dat werknemer vanaf het behalen van het diploma in dienst is, werkgever 1/3 van de studielening zal kwijtschelden. Werknemer heeft de opleiding op 5 april 2017 afgerond. Op 21 juli 2017 heeft werknemer de arbeidsovereenkomst opgezegd. Op 24 juli 2017 heeft werkgever werknemer telefonisch meegedeeld dat hij op grond van de studieovereenkomst € 3.000 verschuldigd is en dat dit bedrag zou worden verrekend met zijn loon in twee delen (€ 1.500 per keer). Bij brief van 7 augustus 2017 heeft werknemer werkgever in gebreke gesteld, omdat hij geen loon had ontvangen over de maand juli 2017. Tevens deelt hij in deze brief mee het niet eens te zijn met de vergoeding die hij moet terugbetalen op grond van de studieovereenkomst. Werknemer vordert onder meer loon over de maanden juli 2017 en augustus 2017. Werkgever heeft tot afwijzing van de vordering geconcludeerd.
Oordeel
Tussen partijen is een studieovereenkomst gesloten. Het uitgangspunt is dat de overeenkomst nagekomen moet worden. Dit betekent dat als werknemer binnen drie jaar na het behalen van zijn diploma de arbeidsovereenkomst beëindigt, werkgever het recht heeft van werknemer de in de studieovereenkomst genoemde kosten van € 3.000 terug te vorderen. Werknemer stelt echter dat de studieovereenkomst nietig is en vordert hieromtrent een verklaring voor recht. Hij stelt dat als hij de werkelijke kosten had gekend (volgens hem veel lager), hij de studieovereenkomst niet had getekend. Hoewel werknemer de calculaties van werkgever betreffende de werkelijke kosten van de opleiding heeft bestreden, is gelet op de toelichting van werkgever voorshands niet aannemelijk dat de kosten van de opleiding na aftrek van subsidie veel minder dan € 3.000 zouden zijn. De kosten van werkgever hebben uit meer bestaan dan alleen de (externe) kosten van de opleiding en het eten en drinken tijdens cursusavonden. De kantonrechter volgt werknemer niet in zijn (subsidiaire) standpunt dat als de studieovereenkomst in stand blijft, hij net als anderen slechts € 1.000 hoeft terug te betalen aan werkgever en dat dit bedrag nog met 5/36e moet worden verminderd. Werknemer vergelijkt zicht met (ex-)werknemers die het betreffende diploma niet hebben behaald en voortijdig zijn afgehaakt. Met betrekking tot die medewerkers heeft werkgever verklaard dat er ook minder kosten zijn gemaakt, er is derhalve geen sprake van gelijke gevallen. Het door werknemer gevorderde loon over de maand juli 2017 en de maand augustus 2017 is niet toewijsbaar. Hierboven is al overwogen dat de kantonrechter van oordeel is dat werknemer het bedrag van € 3.000 mag terugvorderen. Werknemer vordert voorts nog wettelijke verhoging over het loon over juli en augustus 2017. De kantonrechter laat het antwoord op deze vraag in het midden. Dit is een kort geding waarbij spoedeisendheid van belang is. Werknemer heeft in het geheel niet onderbouwd wat zijn spoedeisend belang is bij de gevorderde wettelijke verhoging. Slotsom, de kantonrechter wijst de vorderingen af.