Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Roermond), 29 november 2017
ECLI:NL:RBLIM:2017:11543
werknemer/werkgeefster c.s.
Feiten
Werknemer is van 17 juli 2009 tot 14 augustus 2015 als vrachtwagenchauffeur in dienst geweest van (de rechtsvoorgangster van) werkgeefster. Op de dienstbetrekking was van toepassing de algemeen verbindend verklaarde cao voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en het verhuur van mobiele kranen. Bij brief van 19 september 2016 heeft werknemer zich op het standpunt gesteld dat loonbetalingen niet correct zijn uitgevoerd en aanspraak gemaakt op uitbetaling van zaterdag- en zondagtoeslagen over gewerkte uren in de jaren 2013, 2014 en 2015, alsmede de ten onrechte ingehouden vakantiedagen over de periode 31 juli 2013 tot en met 31 augustus 2013. Bij brief van 26 september 2016 heeft werkgeefster de claim van werknemer afgewezen. Werknemer vordert in rechte onder meer betaling van het achterstallig loon.
Oordeel
Werknemer stelt dat hij op grond van artikel 33 van de cao wanneer hij op zaterdag en/of zondag heeft gewerkt, recht heeft op een toeslag van 50% respectievelijk 100% op het uurloon. Uit de loonstroken blijkt dat hij voor de op zaterdag en zondag gewerkte uren slechts 130% uitbetaald heeft gekregen, het reguliere percentage voor overuren. Het meest verstrekkende verweer van werkgeefster ten aanzien van deze beloning is het beroep op rechtsverwerking. In casu is duidelijk geworden dat van begin af aan, ook al toen werknemer nog in dienst was bij de rechtsvoorgangster van werkgeefster (in de jaren 2005-2009), de op zaterdag en zondag gewerkte uren niet zijn verloond met de door werknemer gewenste hogere toeslagen maar met de overwerktoeslag van 130%. Ter comparitie van partijen heeft werknemer verklaard dat zijn Nederlandse collega’s hem ‘ergens tussen 2005 en 2008 of 2009’ verteld hebben dat hij ‘eigenlijk recht heeft op 150% en 200% maar dat je hier maar 130% krijgt’. Met andere woorden: werknemer draagt al kennis van deze afwijkende beloning sinds die tijd. Werknemer heeft ook erkend dat hij maandelijks in zijn postvakje uren en loonstaten heeft ontvangen waaruit bleek dat er verloond werd met 130% en niet met 150% en 200%. Werknemer is toen hij die kennis had van die mogelijke onjuiste beloning, alle jaren daarna op zaterdag en zondag doorgegaan met het maken van uren. Gesteld noch gebleken is dat werknemer eerder dan deze procedure en de daaraan voorafgaande correspondentie, over de beloning daarvoor bij zijn werkgever heeft geklaagd of op een andere manier daarover bij zijn werkgever aan de bel heeft getrokken. Daarmee heeft hij in de richting van werkgever de indruk gewekt dat hij zijn recht op een hogere beloning dan 130% – zo hij dat recht al had – heeft laten varen. Het recht om thans nog een hogere toeslag te claimen heeft hij daarmee naar het oordeel van de kantonrechter dan ook verwerkt. Ook ten aanzien van deze overstaanvergoeding is de kantonrechter van oordeel dat er sprake is van rechtsverwerking. Werknemer vordert voorts een bedrag van € 2.807,48 bruto aan ten onrechte afgeschreven vakantiedagen in de periode 31 juli 2013 tot 31 augustus 2013. Anders dan werkgeefster heeft gesteld is naar het oordeel van de kantonrechter uit de overgelegde ontslagbrief wel af te leiden dat er sprake is geweest van een opname in de kliniek en blijkt uit de door een arts ondertekende arbeidsongeschiktheidsverklaring dat er sprake is van arbeidsongeschiktheid. Met werknemer is de kantonrechter dan ook van oordeel dat werkgeefster ten onrechte vakantiedagen heeft afgeschreven. De vordering van werknemer tot betaling van € 2.807,48 bruto is dan ook volledig toewijsbaar. Over het toe te wijzen bedrag acht de kantonrechter de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW toewijsbaar.