Rechtspraak
werknemer/werkgeverRechtbank Den Haag, 24 november 2017
werknemer/werkgever
Feiten
Werkneemster is sinds 16 februari 2005 in dienst (bij de rechtsvoorganger) van werkgever X (hierna: X) in de functie van teamleider verkoopafdeling. Op 8 augustus 2017 is werkneemster op staande voet ontslagen. X heeft als reden voor het ontslag aangevoerd dat werkneemster ervan verdacht wordt zowel op 26 mei 2017 als op 16 juni 2017 geld te hebben weggenomen uit het geldtelkantoor van X. Werkneemster verzoekt de kantonrechter thans het ontslag op staande voet te vernietigen. Aan dit verzoek legt werkneemster ten grondslag dat het ontslag niet onverwijld is gegeven en dat geen sprake is van een dringende reden, aangezien er geen enkel bewijs voorhanden is dat de dringende reden het ontslag kan dragen. X verzoekt de kantonrechter – voor het geval het ontslag op staande wordt vernietigd – de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk te ontbinden op de e-grond c.q. de g-grond.
Oordeel
Onverwijldheid
X voert aan dat zij pas op 28 juli 2017 op de hoogte was van het feit dat er geld was gestolen. Daarop aansluitend heeft X zowel intern als extern onderzoek verricht en overleg gepleegd. Naar het oordeel van de kantonrechter is X dan ook voldoende voortvarend tewerkgegaan door werkneemster op 8 augustus 2017 te ontslaan.
Dringende reden
De kantonrechter stelt voorop dat in het onderhavige geval sprake is van een delictueel verwijt, zodat van een werkgever mag worden verwacht dat hij aan de kantonrechter een zo veel mogelijk uitgewerkt dossier voorlegt met daarin de nodige overtuigingsstukken. Hierbij gaat het niet zozeer om aannames en redeneringen, maar om schriftelijke overtuigingsstukken, documenten en andere gegevens (zoals video-opnames) waaruit blijkt dat de verweten gedraging met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is gepleegd. X voert in dit verband aan dat werkneemster als laatste in aanraking is geweest met de zogeheten airboxen, waarin de biljetten terechtkomen, voordat deze in de koffers zijn gestopt en door werkneemster zijn verzegeld. Nu de koffers bij ontvangst door de waardetransporteur leeg zijn aangekomen, kan volgens X niet anders worden geconcludeerd dan dat werkneemster degene is geweest die het geld heeft weggenomen. De kantonrechter volgt X hierin niet en oordeelt dat de door X gestelde gang van zaken geen bewijs oplevert, maar hooguit een onderbouwd vermoeden. In de eerste plaats wordt geoordeeld dat er geen camerabeelden zijn overgelegd van de voorbereiding van de geldkoffers in het telkantoor van het filiaal van X én van het uitpakken van de geldkoffers op het kantoor van de waardetransporteur. Hierdoor is niet komen vast te staan dat het geld in het filiaal is weggenomen. Dat de camerabeelden niet meer beschikbaar zijn – omdat deze slechts twee weken worden bewaard – kan niet voor rekening en risico van werkneemster komen. In de tweede plaats wordt geoordeeld dat de voorbereiding werd uitgevoerd door twee werknemers, zodat dit gegeven al tot de conclusie leidt dat niet kan worden uitgesloten dat niet werkneemster, maar de andere werknemer verantwoordelijk is voor het verdwenen geld. Naar het oordeel van de kantonrechter is het ontslag op staande voet dan ook niet rechtsgeldig gegeven. Het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet wordt derhalve toegewezen.
Voorwaardelijke ontbinding
Het primaire ontbindingsverzoek (e-grond) wordt – met inachtneming van hetgeen is overwogen met betrekking tot het ontslag op staande voet – afgewezen omdat onvoldoende is gebleken dat sprake is van verwijtbaar handelen aan de zijde van werkneemster. Het subsidiaire ontbindingsverzoek (g-grond) wordt eveneens afgewezen, omdat onvoldoende gemotiveerd is onderbouwd dat sprake is van een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat herstel daarvan niet meer mogelijk is. Bovendien heeft X geen pogingen ondernomen om tot verbetering van de situatie te komen, voor zover deze verstoring aanwezig is. Het verzoek van werkneemster tot wedertewerkstelling wordt toegewezen, nu de arbeidsovereenkomst niet zal worden ontbonden.