Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 9 januari 2018
ECLI:NL:GHDHA:2018:6

werknemer/Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers

Bewijslevering in hoger beroep door COA slaagt: voormalig bestuursvoorzitter heeft onjuiste informatie aan de Onderzoekscommissie COA, de minister en de raad van toezicht verstrekt. Werknemer is daarom terecht op non-actief gesteld en daarna terecht ontslagen. Geen dwangsommen verbeurd door het COA.

Feiten

Voor het verloop van het geding tot 14 februari 2017 in de beide zaken verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum. In dit tussenarrest heeft het hof – zowel in de dwangsommenprocedure als in de KOO-procedure – de vordering van werknemer ex artikel 843a Rv deels toegewezen, en voorts werknemer toegelaten tot het leveren van nader tegenbewijs. Op 13 april 2017 heeft een getuigenverhoor aan de zijde van werknemer plaatsgevonden, waarvan het proces-verbaal zich bij de stukken bevindt. Het COA heeft afgezien van contra-enquête. Vervolgens heeft werknemer een memorie na enquête (met producties) genomen, waarna het COA een antwoordmemorie na enquête heeft genomen. Ten slotte hebben partijen in de beide zaken opnieuw arrest gevraagd.

Oordeel

Het hof zal al het in het dossier aanwezige bewijs opnieuw, zelfstandig, waarderen en overweegt in dat verband over de verschillende bewijsonderdelen het volgende.

Het verstrekken door werknemer van onjuiste informatie aan de Onderzoekscommissie COA

Het COA heeft op dit punt de commissieleden 1, 2 en 3 doen horen. In hoger beroep heeft werknemer zichzelf in contra-enquête als getuige doen horen. Het hof is van oordeel dat het COA geslaagd is in het bewijs dat werknemer onjuiste informatie heeft verstrekt aan de Onderzoekscommissie COA omtrent het gebruik van de dienstauto voor privédoeleinden. De verklaring van werknemer als getuige in hoger beroep, inhoudende – kort samengevat – dat haar verklaring tegenover de Onderzoekscommissie dat zij de dienstauto nooit privé heeft gebruikt uitsluitend zag op het gebruik van de auto met chauffeur, en dat haar opmerking op een vraag van commissielid 2: ‘Maar ik reed ook niet privé’ zag op de periode vóór 2007, acht het hof niet overtuigend. Uit de getuigenverklaringen van commissielid 1, 2 en 3 kan niet anders worden afgeleid dan dat zij de verklaring van werknemer tegenover hen ook niet in die zin hebben begrepen. Uit de door de Onderzoekscommissie aan haar gestelde vragen en nadere vragen, blijkt op geen enkele wijze dat de Onderzoekscommissie op de hoogte was van haar privégebruik van de auto en bij zijn vragen uitsluitend doelde op het privégebruik met chauffeur, en/of de periode vóór 2007.

Het verstrekken door werknemer van onjuiste informatie aan de minister

Het COA heeft in dit kader de getuigen waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J, sg BZK en directeur personeel (...) BZK doen horen. In hoger beroep heeft werknemer zichzelf in contra-enquête als getuige doen horen. Het hof is van oordeel dat het COA ook op dit punt geslaagd is in het te leveren bewijs. De getuigenverklaringen van waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J en directeur personeel (...) BZK, inhoudende dat werknemer in dit gesprek van 10 mei 2011 tegen hen heeft gezegd dat zij de dienstauto niet privé gebruikte, en ook nooit privé gebruikt heeft, zijn consistent en sluiten op elkaar aan. Het hof acht derhalve bewezen dat werknemer in de periode van mei tot en met september 2011, in het kader van de voordracht van de raad van toezicht aan de minister tot benoeming van werknemer tot voorzitter van de raad van bestuur van het COA, aan waarnemend dg vreemdelingenzaken V&J, sg BZK en directeur personeel (...) BZK heeft meegedeeld dat zij de dienstauto niet privé gebruikte en ook nooit privé gebruikt had en dat deze informatie aan de minister is doorgeleid.

Het verstrekken door werknemer van onjuiste informatie aan de raad van toezicht

Het COA heeft voor het leveren van het bewijs van zijn stelling dat werknemer onjuiste informatie aan de raad van toezicht heeft verstrekt omtrent het privégebruik van de dienstauto, de getuigen toenmalig vz RvT COA, toenmalig lid 1 RvT COA, toenmalig lid 2 RvT COA en strategisch adviseur COA doen horen. Het hof is van oordeel dat het COA eveneens is geslaagd in het bewijs dat werknemer onjuiste informatie heeft verstrekt aan de raad van toezicht over haar privégebruik van de dienstauto. Zowel de ttoenmalig vz RvT COA als de toenmalige leden 1 en 2 RvT COA hebben hierover onafhankelijk van elkaar verklaard, en hun verklaringen worden ondersteund door de verklaring van strategisch adviseur COA. De verklaring van werknemer dat zij over haar privégebruik van de dienstauto tussen 2007 en begin september 2011 in het geheel niet met toenmalig vz RvT COA heeft gesproken, acht het hof niet overtuigend, gelet op het grote belang van dit onderwerp in 2010/2011 voor haar voordracht als nieuwe bestuursvoorzitter, en gelet op de door toenmalig vz RvT COA aan de kantonrechter bij het getuigenverhoor getoonde e-mail van haar hand van 20 april 2011. Het hof acht bewezen dat sprake is geweest van daadwerkelijk privégebruik van de dienstauto.

Het verstrekken door werknemer van onjuiste informatie aan de pers en eindconclusie dwangsommenprocedure

Het hof is van oordeel dat het COA niet geslaagd is in het bewijs dat werknemer onjuiste informatie heeft verstrekt aan de pers. Het hof is van oordeel dat het COA wel is geslaagd in het bewijs dat werknemer heeft verhuld dat zij de dienstauto, in strijd met wat zij daarover verklaard heeft, ook voor privédoeleinden gebruikte, en dat zij daarbij ondergeschikten heeft betrokken. Vast staat dat er fictieve werkafspraken in de agenda van werknemer zijn ingepland. De verklaringen van secretaresse en chauffeur dat zij dit hebben gedaan op verzoek van werknemer, zijn consistent en overtuigend. Gelet op het bovenstaande acht het hof de eigen verklaring van werknemer als getuige dat zij geen opdracht heeft gegeven tot het inplannen van fictieve afspraken in haar agenda onvoldoende overtuigend om af te doen aan de bewijskracht van de andersluidende verklaringen van secretaresse en chauffeur. Uit het bovenstaande volgt dat alle grieven in de dwangsommenprocedure worden verworpen. Het hof zal het vonnis van de rechtbank in die zaak bekrachtigen.

In de KOO-procedure voorts

Uit het bovenstaande volgt dat de grieven die zich richten tegen de bewijswaardering van de kantonrechter met betrekking tot het verstrekken van onjuiste informatie door werknemer over haar privégebruik van de dienstauto aan (leden van) de raad van toezicht, (medewerkers van) de minister en leden van de Onderzoekscommissie COA, en het verhullen van het gebruik van de dienstauto voor privédoeleinden waarbij zij ondergeschikten heeft betrokken, worden verworpen. De grief die betoogt dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het COA gegronde redenen had om de arbeidsovereenkomst met werknemer op te zeggen faalt ook. De grief die erover klaagt dat de kantonrechter in zijn eindvonnis ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag wordt eveneens verworpen. De grief die zich richt tegen het oordeel van de kantonrechter in zijn eindvonnis dat er geen grond bestaat voor toekenning van een contractuele vergoeding, omdat sprake is van ernstig verwijtbare handelingen of nalatigheden van de werknemer wordt ook verworpen. De grief die zich richt tegen de afwijzing door de kantonrechter in zijn eindvonnis van de door werknemer gevorderde immateriële schadevergoeding slaagt evenmin. Uit het bovenstaande volgt dat ook alle grieven in de KOO-procedure worden verworpen.