Rechtspraak
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 23 januari 2018
ECLI:NL:GHDHA:2018:19
appellanten/Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en glazenwassersbedrijf
Feiten
Het Bpf vordert van appellanten op grond van artikel 23 Wet Bpf 2000 betaling van € 261.373,87 in hoofdsom en € 3.206,08 aan incassokosten. Het Bpf onderbouwt deze aansprakelijkheid van appellanten door erop te wijzen dat zij geen melding hebben gedaan van betalingsonmacht en niet aannemelijk hebben gemaakt dat het achterwege blijven van de melding niet aan hen te wijten is. De kantonrechter heeft de vordering toegewezen. Volgens appellanten moet hun e-mailbericht van 9 november 2012 aan Vesting Finance (het door het Bpf ingeschakelde incassobureau) worden aangemerkt als een melding betalingsonmacht aan het Bpf. Het Bpf bestrijdt dat die e-mail kan geleden als een rechtsgeldige melding.
Oordeel
Volgens het hof impliceren de woorden ‘onverwijld nadat gebleken is dat het niet tot betaling in staat is’ in de zin van artikel 23 lid 2 Wet Bpf 2000 en het Besluit meldingsregeling Wet Bpf 2000, wetenschap van het ontstaan zijn van een premieschuld. De meldingstermijn van veertien kalenderdagen start pas nadat een premienota is verzonden en de voor betaling daarvan gegeven termijn is verstreken. De vraag wanneer een schuld ontstaat, staat los van de vraag wanneer de termijn waarbinnen betalingsonmacht moet worden gemeld start. In casu staat vast dat de eerste niet betaalde nota waarvan het Bpf betaling vordert, dateert van 19 december 2012. Deze nota had dus uiterlijk 2 januari 2013 betaald moeten zijn. Dit betekent dat de melding van onmacht tot betaling uiterlijk 16 januari had moeten zijn gedaan. Echter, het e-mailbericht van appellanten aan Vesting Finance kan niet worden aangemerkt als een rechtsgeldige melding. In de eerste plaats bevat de e-mail niet meer dan het verzoek om voor de op dat moment opeisbare facturen een betalingsregeling te treffen omdat de mogelijkheid niet aanwezig was om het openstaande bedrag geheel direct te voldoen. Dat verzoek is niet zonder meer gelijk te stellen met een melding van betalingsonmacht. Ten tweede ontbreekt in de e-mail het minimaal vereiste inzicht in de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de bijdrage niet kan worden betaald, terwijl die informatie niet mag ontbreken in een dergelijke melding. Hoewel het hof aan voornoemde twee punten minder zwaar zou tillen als dat de enige mankementen zouden zijn, komt daar nog bij dat de e-mail is gericht aan Vesting Finance en niet aan het Bpf. De vraag rijst of appellanten aannemelijk hebben gemaakt dat het niet aan hen te wijten is dat de mededeling van betalingsonmacht niet aan het Bpf is gedaan. Dat appellanten geen verwijt kan worden gemaakt omdat zij zich hebben laten bijstaan door een gekwalificeerde boekhouder kan hun niet baten; het (niet-)handelen van een ingeschakelde boekhouder in de relatie tot het Bpf komt voor rekening van de aangesproken bestuurder. Ook de overige verweren van appellanten kunnen hun niet baten. De regeling van de melding van betalingsonmacht is duidelijk en (indirecte) bestuurders als appellanten moeten geacht worden op de hoogte te zijn van een regeling over melding van betalingsonmacht dan wel in staat zijn snel te achterhalen wat van hen verlangd wordt als rekeningen van het Bpf niet tijdig betaald kunnen worden. Hier komt nog bij dat werknemers wel zijn betaald en premies op hun salarissen zijn ingehouden, zonder dat deze onverkort aan het Bpf zijn afgedragen. Het Bpf heeft appellanten terecht aansprakelijk gehouden voor de door hen ten onrechte niet afgedragen premies.