Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Stichting Alcatel-Lucent Pensioenfonds
Hoge Raad, 2 maart 2018
ECLI:NL:HR:2018:301

werknemer/Stichting Alcatel-Lucent Pensioenfonds

Uitleg pensioenregeling. Pensioenfonds heeft ruimte bevoegdheid om omrekenfactoren vast te stellen. Artikel 81 Wet RO.

Feiten

Vervolg AR 2016-0909. Werknemer (geboren 1949) is van 1 juni 1974 tot en met 31 oktober 2001 werkzaam geweest bij Lucent Technology en heeft in deze periode deelgenomen aan de pensioenregeling van dit bedrijf, welke regeling wordt uitgevoerd door het Pensioenfonds. Volgens deze polis heeft werknemer indien hij gehuwd is of een partnerschap is aangegaan aanspraak op een jaarlijks levenslang ouderdomspensioen ingaande op de pensioendatum van € 21.950,41. De pensioenleeftijd was ingevolge het destijds geldende pensioenreglement 60 jaar. Het Pensioenfonds heeft bij brief van 3 november 2008 naar aanleiding van vragen van werknemer aan hem meegedeeld dat bij uitstel van de pensioendatum het ouderdomspensioen op de leeftijd van 65 jaar een bedrag van € 38.555 zou bedragen. Werknemer heeft daarna uitstel van zijn pensioendatum verzocht. Bij brief van 1 december 2008 is hem meegedeeld dat het bestuur van het Pensioenfonds het verzoek om uitstel heeft gehonoreerd. Het Pensioenfonds heeft in verband met een lage dekkingsgraad per 1 april 2013 een korting op de pensioenen doorgevoerd van 6,2%. Het Pensioenfonds heeft bij brief van 22 augustus 2013 aan werknemer meegedeeld dat zijn uitgestelde pensioenaanspraken per 1 april 2013, rekening houdend met voornoemde korting, € 32.047 bedroegen. Volgens werknemer heeft het Pensioenfonds hem bij brief van 1 december 2008 een toezegging gedaan voor het daarin genoemde bedrag, dat niet door de korting mag worden getroffen. In hoger beroep verzet werknemer zich niet meer tegen de korting maar betwist hij de juistheid van het toekomende bedrag op basis van uitleg van de reglementen. Het hof heeft de vorderingen van werknemer afgewezen.

Conclusie A-G Timmerman

Mijns inziens is het hof, anders dan het subonderdeel aanvoert, wel ingegaan op het punt van de kenbaarheid van de rechtsgevolgen van de uitleg die het voorstond. Het hof is bovendien ingegaan op de tekst van artikel 7.1 van het pensioenreglement en op wat werknemer hieruit heeft kunnen afleiden. Ik verwijs naar r.o. 3.8 van het arrest, waarin het hof overweegt dat de tekst van het reglement geen aanleiding geeft om de door werknemer voorgestane uitleg te volgen. In deze r.o. benadrukt het hof mijns inziens ook terecht dat uit de tekst van artikel 7.1 blijkt dat het bestuur een ruime bevoegdheid heeft om de omrekenfactoren vast te stellen behoudens de verplichte advisering door een actuaris en de verplichte sexeneutraliteit. Het hof heeft niet verzuimd om de rechtsgevolgen van de door partijen over en een weer verdedigde uitleg van het pensioenreglement bij zijn oordeel daarover te betrekken. Werknemer ziet met zijn klachten over het hoofd dat het hof het beroep op derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid heeft gepareerd met de opmerking dat het in de verhouding tussen een pensioenfonds en een deelnemer niet ongebruikelijk is dat de deelnemer een zeker risico draagt met betrekking tot ontwikkelingen van de rente en de levensverwachting. Ik vind dat een begrijpelijke gedachtegang van het hof. Het hof heeft terecht geoordeeld dat het pensioenreglement geen leemte bevat, omdat artikel 7.1 van het pensioenreglement aan het bestuur van het Pensioenfonds een ruime vrijheid van handelen geeft voor wat betreft de omrekenfactoren. Het hof heeft de uitleg van het Pensioenfonds en de daaraan verbonden (rechts)gevolgen voor de deelnemer aan de pensioenregeling voldoende kritisch bezien. Het hof heeft de verschillende factoren op grond waarvan werknemer heeft gesteld dat hij mocht vertrouwen op een pensioenaanspraak ter hoogte van het in de brief van 3 november 2008 genoemde bedrag en/of op de juistheid van de door hem bepleite uitleg van het pensioenreglement in onderling verband beschouwd. Het hof heeft van onvoldoende betekenis geacht dat werknemer voorafgaand aan de brief van 3 november 2008 (meermalen) aan het Pensioenfonds kenbaar had gemaakt dat hij pas een beslissing over uitstel wilde nemen als hij zou weten wat de hoogte van zijn uitgestelde ouderdomspensioen zou zijn. Het hof heeft een afweging van factoren gemaakt waarvoor mijns inziens een globale motivering, zoals het hof die heeft gegeven, volstaat. Daarbij heeft het hof begrijpelijkerwijs van belang geacht dat werknemer niet heeft gesteld dat hij van uitstel van zijn pensioen zou hebben afgezien, indien hij bekend was met het feit dat de hoogte van zijn pensioen mede afhankelijk was van nog vast te stellen omrekenfactoren. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Oordeel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 lid 1 Wet RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.