Rechtspraak
KLM Catering Schiphol Services B.V./werknemerGerechtshof Amsterdam, 9 mei 2017
KLM Catering Schiphol Services B.V./werknemer
Feiten
Werknemer is in 1998 in dienst getreden bij KCS. Op 24 mei 2016 was een groep van negen leerlingen van het Luchtvaart College Schiphol aan boord van een vliegtuig om daar voor Asito B.V. schoonmaakwerkzaamheden voor KLM te verrichten. Tevens was een begeleider van het Luchtvaart College en een werknemer van Asito aanwezig. Samen met een collega was ook werknemer aan boord van hetzelfde vliegtuig, in verband met de afhandeling daarvan. Op 27 mei 2016 zijn er via Asito klachten bij KCS gedeponeerd over de handelswijze van werknemer aan boord van het betreffende vliegtuig. De klachten zijn afkomstig van een aantal leerlingen van het Luchtvaart College. Werknemer is op 27 mei 2016 geschorst. Op 3 juni is hij door KCS op staande voet ontslagen. Werknemer heeft in eerste aanleg onder meer vernietiging van het ontslag op staande voet verzocht. De kantonrechter heeft het verzoek toegewezen en de opzegging van de arbeidsovereenkomst vernietigd alsmede het ontbindingsverzoek afgewezen. Hiertegen komt KCS in beroep.
Oordeel
Het gaat in deze zaak allereerst om de vraag of KCS werknemer terecht op staande voet heeft ontslagen. Ten aanzien van de stelling van werknemer dat het ontslag niet onverwijld is gegeven, is het hof evenals de kantonrechter van oordeel dat van KCS mocht worden verwacht dat zij voldoende voortvarend onderzoek deed naar het incident. Gelet op het geringe tijdverloop en op de verklaringen die door KCS zijn geïnventariseerd en opgenomen, heeft KCS voortvarendheid in acht genomen. Het ontslag is onverwijld gegeven. KCS heeft als dringende reden aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd dat werknemer: 'hardnekkig de gebeurtenissen van vorige week in het vliegtuig ontkent, dan wel in het feit dat u hardnekkig lijkt te weigeren ons verder openheid van zaken te geven.' Gelet op de inhoud van de ontslagbrief van 3 juni 2016 heeft de hardnekkige ontkenning betrekking op de volgende gebeurtenissen: de attendering door de begeleider van de leerlingen aan werknemer dat hij rekening diende te houden met de kwetsbaarheid van de leerlingen, het pornografisch filmpje dat werknemer aan de leerlingen heeft laten zien, het door werknemer uitnodigen van een leerling om naar de Wallen te gaan en het door werknemer vragen van het telefoonnummer van een van de leerlingen en het vervolgens verkrijgen en opslaan van dat nummer in de eigen telefoon van werknemer. Omdat de ontkenning door werknemer van deze gebeurtenissen, dan wel dienst weigering om daarover verdere openheid van zaken te geven, als dringende reden(en) aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd, en werknemer de lezing van KCS van de toedracht heeft betwist, dient KCS de toedracht van de gebeurtenissen te bewijzen alvorens het hof kan oordelen of de ontkenning daarvan door werknemer onjuist is dan wel hij daarover verdere openheid van zaken had dienen geven. Het hof zal KCS overeenkomstig het door haar gedane aanbod tot het bewijs van haar stellingen toelaten op de wijze als in het dictum te melden. In afwachting daarvan zal het hof iedere verdere beslissing aanhouden.