Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Raet B.V.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Arnhem), 7 maart 2018
ECLI:NL:GHARL:2018:2278

werkneemster/Raet B.V.

Mede gezien het feit dat werkneemster zelf een verzoek tot ontbinding heeft ingediend oordeelt het hof dat sprake is van een ernstige en duurzame verstoring in de arbeidsverhoudingen. De kantonrechter heeft in het tegenverzoek van werkgeefster de arbeidsovereenkomst terecht ontbonden.

Feiten

Werkneemster is sinds 23 juni 1999 in dienst van Raet. Op 26 januari 2017 heeft een beoordelingsgesprek plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek is meegedeeld dat werkneemster niet aan de functie-eisen voldeed. Aan haar is een voorstel gedaan om de arbeidsovereenkomst te beëindigen of een verbetertrajct aan te gaan. Bij brief van 1 februari 2016 heeft de advocaat van werkneemster aan X, de CEO van Raet, een misstand gemeld en een tegenvoorstel gedaan naar aanleiding van de conceptbeëindigingsovereenkomst. De melding hield in dat werkneemster door haar leidinggevende is aangezet tot het vervalsen van handtekeningen. Raet heeft op verzoek van werkneemster een forensisch onderzoek ingesteld naar de melding. Bij e-mailbericht van 28 maart 2017 heeft Raet aan de advocaat van werkneemster gemeld dat het onderzoek is afgerond en dat de directie van Raet naar aanleiding van het vertrouwelijke onderzoeksrapport haar standpunt heeft bepaald en maatregelen heeft genomen. De advocaat van werkneemster heeft gemeld dat werkneemster van oordeel is dat door Raet op onzorgvuldige wijze is omgegaan met haar melding van de misstand en dat zij zich vrij voelt om de opstelling van Raet rond de melding naar buiten te brengen. Werkneemster heeft de kantonrechter verzocht om de arbeidsovereenkomst van partijen te ontbinden en haar een transitievergoeding alsmede een billijke vergoeding toe te kennen. Raet heeft bij voorwaardelijk tegenverzoek eveneens ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht. De kantonrechter heeft, in het verzoek van werkneemster, de arbeidsovereenkomst ontbonden zonder toekenning van de transitie- en billijke vergoeding. In het tegenverzoek van Raet, voor het geval het verzoek van werkneemster tijdig wordt ingetrokken, heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst eveneens ontbonden onder toekenning van de transitievergoeding. Werkneemster heeft haar verzoek tot ontbinding ingetrokken en gaat in hoger beroep.

Oordeel

Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat werkneemster tegen het oordeel van de kantonrechter om aan haar geen billijke vergoeding toe te kennen geen hoger beroep heeft ingesteld. Zij heeft in plaats daarvan haar verzoek ingetrokken. Hierdoor komt het hof in hoger beroep niet toe aan toetsing van het oordeel van de kantonrechter. In het voorwaardelijk tegenverzoek van Raet bij de kantonrechter tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft werkneemster geen schriftelijk zelfstandig verzoek ingediend tot toekenning van een vergoeding. Aldus resteert in hoger beroep nog slechts de toetsing op grond van artikel 7:683 lid 3 BW betreffende het ontbindingsverzoek van Raet. Voor toepassing van de g-grond is niet vereist dat sprake is van enige mate van verwijtbaarheid aan de zijde van de werknemer. Het hof constateert dat in de visie van Raet sprake was van een ernstig verstoorde arbeidsverhouding, omdat werkneemster niet heeft willen ingaan op de voorstellen om de arbeidsovereenkomst voort te zetten na de afwikkeling van de klacht: zij is immers overgegaan tot het indienen van een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter. Mede gezien het feit dat werkneemster zelf een verzoek tot ontbinding van de arbeidsoverenkomst heeft ingediend en zich op het standpunt heeft gesteld dat (door toedoen van Raet) sprake was van omstandigheden die van dien aard zijn dat de dienstbetrekking dadelijk of na korte tijd behoorde te eindigen, oordeelt het hof dat sprake is van een ernstige en duurzame verstoring in de arbeidsverhoudingen. In dit kader speelt de discussie tussen partijen of de opstelling en handelwijze van Raet na het indienen en afwikkelen van de klacht door werkneemster en de reactie daarop van werkneemster redelijk waren. Het hof komt aan een inhoudelijke beoordeling van de juistheid van de verschillende visies niet toe. Die beoordeling is namelijk van belang in het kader van de vraag of de verstoring van de arbeidsrelatie geheel of grotendeels aan Raet als werkgeefster is te wijten. Die eventuele verwijtbaarheid staat in deze zaak, waarin werkneemster zelf het inititatief tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft genomen, aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de g-grond niet in de weg, maar zou zich kunnen vertalen in toekenning van een billijke vergoeding, welke niet tijdig is verzocht. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat de kantonrechter terecht het verzoek van Raet om de arbeidsovereenkomst met werkneemster te ontbinden op de g-grond heeft toegewezen.