Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/bedrijfsarts
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 27 februari 2018
ECLI:NL:GHDHA:2018:472

werknemer/bedrijfsarts

Geen causaal verband tussen beëindiging arbeidsovereenkomst en als gevolg daarvan geleden inkomensschade en de onterechte hersteldmelding door de bedrijfsarts.

Feiten

Werknemer is met ingang van 15 juni 2001 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij de Stichting Welzijn Rijswijk. Op 30 december 2009 heeft werknemer zich ziek gemeld bij zijn werkgever. Geïntimeerde, die werkzaam was als zelfstandig bedrijfsarts, is door Welzijn Rijswijk ingeschakeld in verband met de ziekmelding van werknemer. Op 30 december 2009 heeft de bedrijfsarts telefonisch contact gezocht met werknemer en met de (vervangende) huisarts van werknemer. In zijn schriftelijke terugkoppeling aan Welzijn Rijswijk en werknemer van diezelfde datum schrijft hij dat hij geen ziekte of gebrek ziet welke aanleiding geeft tot arbeidsongeschiktheid, en werkgever en werknemer adviseert om met elkaar in overleg te treden omtrent de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. In een rapportage arbeidsdeskundige deskundigenoordeel van het UWV schrijft de arbeidsdeskundige op 25 februari 2010 dat belasting in de functie van werknemer de belastbaarheid overschrijdt en hij daarmee niet geschikt is tot het verrichten van de eigen werkzaamheden als buurtbeheerder. Bij brief van 9 maart 2010 is werknemer door Welzijn Rijswijk op staande voet ontslagen. In de brief wordt als reden hiervoor gegeven dat werknemer herhaaldelijk heeft geweigerd om werkzaamheden voor Welzijn Rijswijk te verrichten. In de onderhavige procedure vordert werknemer een bedrag van € 361.013 bruto aan schadevergoeding. Hieraan heeft werknemer ten grondslag gelegd dat door de onterechte melding van de bedrijfsarts van 30 december 2009 een keten van gebeurtenissen in werking is gezet, die erin heeft geresulteerd dat werknemer uiteindelijk zijn werk is kwijtgeraakt en zijn inkomsten uit arbeid heeft verloren. Werknemer houdt de bedrijfsarts aansprakelijk voor de door werknemer geleden en nog te lijden schade. De rechtbank heeft in het bestreden verstekvonnis de vorderingen van werknemer afgewezen. Tegen dit oordeel keert werknemer zich in hoger beroep.

Oordeel

Uit het verslag van het gesprek dat is gevoerd tussen Welzijn Rijswijk en werknemer op 28 december 2009, blijkt geenszins dat werknemer steeds naar volle tevredenheid zijn werkzaamheden heeft verricht. De vaststellingsovereenkomst is op 20 oktober 2010 ondertekend door partijen. Werknemer heeft geen enkele informatie verstrekt waaruit blijkt wat er is gebeurd (en mogelijk tussen hem en Welzijn Rijswijk is voorgevallen) in de periode tussen het ontslag op staande voet, het kortgedingvonnis van de kantonrechter van 5 april 2010 en het tijdstip van ondertekening van de overeenkomst op 20 oktober 2010, dus ruim zes maanden later, anders dan dat tussen hem en Welzijn Rijswijk mediation heeft plaatsgevonden. De stelling van werknemer dat hij in oktober 2010 geen andere keuze had dan met een beëindiging van zijn dienstverband in te stemmen, valt naar het oordeel van het hof niet te rijmen met zijn standpunt dat hij vanaf 2001 steeds naar volle tevredenheid van Welzijn Rijswijk heeft gefunctioneerd. Voor zover hij die stelling onderbouwt met het gegeven dat een nieuwe manager was aangetreden bij Welzijn Rijswijk in het najaar van 2009, die de bezem door de organisatie haalde, en dat al enige jaren kritiek bestond op het functioneren van de directeur van Welzijn Rijswijk, gaat het hier in elk geval om andere oorzaken dan de arbeidsgeschiktheidsverklaring door de bedrijfsarts en is dit geen afdoende verklaring. Geconcludeerd moet dus worden dat werknemer onvoldoende heeft gesteld dat hij door de handelwijze van de bedrijfsarts was genoodzaakt om zijn keuze op beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bepalen. De stelling dat hij steeds naar volle tevredenheid van Welzijn Rijswijk heeft gefunctioneerd, en de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst het (onvermijdelijke) gevolg is van de handelwijze van de bedrijfsarts, heeft werknemer ook niet met enige schriftelijke stukken onderbouwd. Dit lag naar het oordeel van het hof wel op zijn weg, in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door de bedrijfsarts, en mede gelet op de inhoud van het verslag van het gesprek van 28 december 2009 en de brief van 6 mei 2010. De slotsom is dat het hof niet gebleken is dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2011 – en de als gevolg daarvan door werknemer geleden inkomensschade – causaal verband heeft met de aan werknemer verweten gedragingen.