Naar boven ↑

Rechtspraak

De Staat der Nederlanden (ministerie van Veiligheid en Justitie, de Dienst Justitiële Inrichtingen, Justitieel Complex Zaanstad)/de Ondernemingsraad van Justitieel Complex Zaanstad
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 21 februari 2018
ECLI:NL:RBDHA:2018:1970

De Staat der Nederlanden (ministerie van Veiligheid en Justitie, de Dienst Justitiële Inrichtingen, Justitieel Complex Zaanstad)/de Ondernemingsraad van Justitieel Complex Zaanstad

Werkgever krijgt geen vervangende toestemming van kantonrechter bij ontbreken goedkeuring ondernemingsraad voor het niet-aanwijzen van speciaal ontworpen rookruimtes als rookruimte, maar wel voor het voorgenomen besluit dat roken buiten de reguliere pauze niet is toegestaan.

Feiten

Het gebouw van werkgever is gebouwd conform het opgestelde programma van eisen. Hierom zijn negen rookruimtes gerealiseerd. Deze rookruimtes zijn nooit in gebruik genomen. In juni 2016 is aan de Tijdelijke Commissie Medezeggenschap (TCM) een rookbeleid voorgelegd. TCM heeft instemmend advies gegeven voor een rookbeleid dat erop neerkomt dat sprake is van een rookverbod voor medewerkers, maar dat op een nog aan te wijzen luchtplaats en op de openbare weg vóór het complex roken tijdens de pauze is toegestaan. Vervolgens heeft werkgever het rookbeleid voorgelegd aan de ondernemingsraad en heeft toegezegd zich te zullen beraden over de door de ondernemingsraad aangedragen punten en het rookbeleid opnieuw ter instemming te zullen voorleggen. Dit is op 13 maart 2017 gebeurd. Volgens dit rookbeleid is het gebouw een rookvrije inrichting en is roken niet toegestaan voor personeel en bezoekers. Personeel heeft de mogelijkheid om tijdens de onbetaalde pauzes te roken op een aantal daartoe vastgestelde plaatsen buiten het gebouw. De ondernemingsraad heeft niet ingestemd met het rookbeleid. Werkgever verzoekt vervangende toestemming van de kantonrechter.

Oordeel

Er is sprake van twee voorgenomen besluiten: (1) om de luchtplaats aan te wijzen als plaats waar gerookt mag worden en (2) om de medewerkers alleen toe te staan te roken tijdens de onbetaalde pauze. De ondernemingsraad meent dat roken ook mogelijk moet zijn buiten de vastgestelde pauzes en dat er meer rookplekken moeten worden aangewezen.

Besluit 1

Het is een feit van algemene bekendheid dat roken ongezond is. Een werkgever heeft er daarom belang bij om het roken door zijn werknemers te beperken. Niet-rokers hebben er vanwege de schade voor hun gezondheid ook een zwaarwegend belang bij om niet aan rook te worden blootgesteld. De Tabakswet verplicht een werkgever daarom tot een rookverbod voor zijn medewerkers. De Tabakswet verplicht echter niet tot het geheel rookvrij maken van alle accommodaties. Binnen het gebouw van werkgever geldt voor de justitiabelen geen rookverbod. Dat maakt dat het rookverbod niet zal kunnen voorkomen dat medewerkers aan rook worden blootgesteld. Werkgever dient echter te voorkomen dat de niet-rokende medewerkers ongewild aan nog meer rook worden blootgesteld. Om die reden heeft werkgever er een zwaarwegend belang bij om maar één rookplek voor zijn medewerkers aan te wijzen. Dat is anders waar het de rookruimtes betreft. Deze ruimtes zijn alleen bestemd om medewerkers te laten roken. Niet-rokenden hoeven deze ruimtes niet te betreden. Werkgever heeft geen zwaarwegend belang om de rookruimtes niet aan te wijzen als rookplaatsen. De beslissing van de ondernemingsraad om geen instemming te geven is niet onredelijk waar het gaat om het besluit 1.

Besluit 2

De Ondernemingsraad geeft aan dat hij niet naar extra pauzes voor rokers streeft, maar enkel wil dat rokende medewerkers tijdens hun dienst de gelegenheid krijgen om tweemaal even te gaan roken, in goed overleg met hun collega’s en als het werk het toelaat. Daarbij verliest hij echter uit het oog dat de rokende medewerker wordt ontheven van het verrichten van werkzaamheden en aldus een extra pauze heeft. Dat is niet billijk voor de niet-rokende collega’s. Een werkgever mag daaraan niet voorbijgaan, ook niet als de niet-rokende medewerkers hierover geen klachten hebben geuit. Daarbij heeft werkgever met recht aangevoerd dat het overzicht op de werkplek door afwezigheid van de rokers leidt tot moeilijke handhaving. Het belang om roken alleen toe te staan tijdens de reguliere onbetaalde pauze weegt daarom zwaarder dan dat van de ondernemingsraad. De kantonrechter geeft werkgever toestemming om inzake het rookbeleid besluit 2 te nemen.