Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/FR Algemene Diensten B.V.
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 30 maart 2018
ECLI:NL:RBNHO:2018:2732

werkneemster/FR Algemene Diensten B.V.

Arbeidsongeschikte werkneemster wordt op 2 november op staande voet ontslagen wegens werkweigering op 3 november. Geen dringende reden. Billijke vergoeding en transitievergoeding.

Feiten

Werkneemster is op 1 juni 2006 in dienst getreden bij FR Algemene Diensten. Op 15 februari 2017 is werkneemster arbeidsongeschikt geraakt. Bij brief van 30 augustus 2017 heeft FR Algemene Diensten de arbeidsovereenkomst met werkneemster – met toestemming van het UWV wegens bedrijfseconomische redenen – opgezegd tegen 1 december 2017. De bedrijfsarts heeft op 23 oktober 2017 onder meer aangeraden om als werkgever en werknemer na te gaan hoe het ontstane gebrek aan vertrouwen kan worden hersteld. De (gemachtigde van) FR Algemene Diensten heeft een afspraak op vrijdag 3 november 2017 om 10.00 uur voorgesteld. Werkneemster is dan echter verhinderd, omdat zij op dat tijdstip een cursus volgt. Bij e-mail van 2 november 2017 wordt werkneemster op staande voet ontslagen wegens werkweigering. Werkneemster verzoekt onder meer voor recht te verklaren dat geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet en toekenning van een billijke en transitievergoeding.

Oordeel

De kantonrechter oordeelt dat op 2 november 2017 geen sprake kan zijn van werkweigering op 3 november 2017. Op 2 november 2017 stond immers (nog) niet vast dat werkneemster op 3 november 2017 niet zou verschijnen. De kantonrechter oordeelt dat het onder de gegeven omstandigheden op de weg van FR Algemene Diensten had gelegen om werkneemster op voldoende duidelijke wijze te waarschuwen voor de mogelijke gevolgen van een werkweigering en om vervolgens af te wachten of werkneemster op 3 november 2017 zou verschijnen. De kantonrechter oordeelt aldus dat geen sprake is van werkweigering zijdens werkneemster, zodat dit geen dringende reden voor een ontslag op staande voet vormt. Nu is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, moet het verzoek van werkneemster om toekenning van een billijke vergoeding dan ook worden toegewezen. De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding om de billijke vergoeding vast te stellen op een bedrag van € 3.150 bruto (maandsalaris). Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat tussen partijen reeds vaststond dat de arbeidsovereenkomst op korte termijn, namelijk per 1 december 2017, rechtsgeldig zou komen te eindigen. Verder neemt de kantonrechter in aanmerking dat werkneemster ter zitting heeft verklaard dat zij inmiddels een nieuwe baan heeft. Ten slotte houdt de kantonrechter er rekening mee dat FR Algemene Diensten het salaris van werkneemster tot en met november 2017 heeft betaald. De kantonrechter oordeelt voorts dat FR Algemene Diensten de transitievergoeding verschuldigd is aan werkneemster. FR Algemene Diensten heeft aangevoerd dat haar een beroep op de overbruggingsregeling transitievergoeding kleine MKB’er van artikel 7:673d BW toekomt (hierna: de overbruggingsregeling). Vast staat echter dat FR Algemene Diensten te laat een beroep op deze overbruggingsregeling heeft gedaan. Geheel ten overvloede merkt de kantonrechter nog op dat, ook als FR Algemene Diensten tijdig een beroep op de overbruggingsregeling had gedaan, dit beroep zou worden afgewezen, aangezien hierop alleen een beroep kan worden gedaan als de arbeidsovereenkomst is beëindigd wegens omstandigheden die het gevolg zijn van een slechte financiële situatie van de werkgever, terwijl de ontslaggrond in de onderhavige zaak een ontslag op staande voet wegens een dringende reden was.