Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Rescura B.V.
Gerechtshof Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 24 april 2018
ECLI:NL:GHDHA:2018:814

werknemer/Rescura B.V.

Dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs in koopprocedure brengt geen bewijsuitsluiting met zich. Dat werkgever onjuiste informatie heeft doorgegeven bij ontslagaanvraag, leidt wel tot kennelijk onredelijk ontslag. Schadevergoeding van € 75.000 voor werknemer.

Feiten

Werknemer is in 1994 in dienst getreden van Rescura. Bij brief van 22 juni 2015 heeft de accountant van Rescura namens Rescura een ontslagvergunning aangevraagd (kort samengevat o.g.v. bedrijfseconomische redenen) voor haar vier werknemers, waaronder werknemer. Bij brief van 31 augustus 2015 heeft Rescura het dienstverband met werknemer opgezegd tegen 1 december 2015. In eerste aanleg vorderde werknemer – zakelijk weergegeven – de veroordeling van Rescura tot betaling aan hem van een bedrag van (primair) € 870.474,13 bij wijze van schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag, vermeerderd met rente en kosten. Bij het bestreden vonnis (van 11 oktober 2016) heeft de kantonrechter de vordering afgewezen, met veroordeling van werknemer in de proceskosten. In hoger beroep vordert werknemer onder meer de vernietiging van het bestreden vonnis en veroordeling van Rescura om aan hem te betalen een bedrag van (primair) € 293.814,16 bij wijze van schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag.

Oordeel

In het midden kan blijven of [Y] het door hem aangedragen bewijsmateriaal op onrechtmatige wijze heeft verkregen, omdat de enkele omstandigheid dat bewijsmateriaal op onrechtmatige wijze is verkregen door een ander dan de procespartij die het wil gebruiken niet meebrengt dat dit materiaal ook door die procespartij onrechtmatig is verkregen. Het gaat erom of die procespartij zelf het bewijsmateriaal onrechtmatig heeft verkregen. Of hiervan sprake is, moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval (HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1632). Daar komt bij dat – anders dan Rescura kennelijk meent – het enkele feit dat bewijs onrechtmatig is verkregen, niet zonder meer tot gevolg heeft dat dit bewijs moet worden uitgesloten. Uit artikel 152 Rv volgt immers dat bewijs door alle middelen kan worden geleverd en dat de waardering van het bewijs aan het oordeel van de rechter is overgelaten, tenzij de wet anders bepaalt. In beginsel wegen het algemene maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, alsmede het belang dat partijen erbij hebben hun stellingen in rechte aannemelijk te kunnen maken (welke belangen mede aan artikel 152 Rv ten grondslag liggen) zwaarder dan het belang van uitsluiting van bewijs. Ten aanzien van de door [Y] gepresenteerde feiten omtrent de gang van zaken bij het UWV heeft Rescura gesteld dat – gelet op de jarenlange verantwoordelijkheid van [Y] voor de bedrijfscijfers van Rescura – de door hem gemaakte ommezwaai ongeloofwaardig is en om die reden de door Rescura bij UWV gepresenteerde cijfers als uitgangspunt moeten worden genomen. Rescura heeft echter ten aanzien van geen enkele van de door [Y] nader genoemde en door werknemer toegelichte omstandigheden die hebben geleid tot een te laag resultaat in 2015 voldoende gemotiveerd gesteld, dat en waarom die stelling onjuist is, hetgeen wel van haar had mogen worden verwacht. Dit betekent dat het hof de door [Y] nader gepresenteerde feiten als (onvoldoende weersproken dus) vaststaand zal aannemen, hetgeen impliceert dat Rescura met opzet bij UWV financiële cijfers heeft gepresenteerd over het recente verleden die zodanig waren gemanipuleerd dat zij – in strijd met de werkelijkheid – een zo negatief mogelijk beeld schetsten. Dit impliceert dat Rescura ook over haar toekomstperspectieven en orderportefeuille het UWV onjuist heeft geïnformeerd. Rescura is hier dus tekortgeschoten in haar verplichting als goed werkgever te handelen. Reeds om deze reden moet het (met gebruikmaking van de op basis van onjuiste gegevens verleende toestemming) gegeven ontslag als kennelijk onredelijk worden aangemerkt (HR 3 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3818). Dit brengt het hof tot het oordeel dat het ontslag ook kennelijk onredelijk is, omdat het op een valse grond is gegeven. Dit een en ander leidt tot het oordeel dat het ontslag kennelijk onredelijk is en aan werknemer een schadevergoeding toekomt. De schadevergoeding moet worden begroot als de schade die de werknemer als gevolg van het kennelijk onredelijk ontslag heeft geleden, waarbij de gewone regels omtrent begroting van de schade(vergoeding) van toepassing zijn (HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ6596). De inkomensschade (loon minus WW-uitkering) bedraagt (zoals door werknemer berekend) een kleine € 60.000. Daarnaast is onmiskenbaar sprake van pensioenschade. Niet alleen over de periode van werkloosheid, maar ook nog daarna. Dit in aanmerking genomen acht het hof een vergoeding van € 75.000 in aanvulling op de vergoeding die Rescura reeds aan werknemer heeft verstrekt, passend.