Rechtspraak
werknemer/werkgever
Feiten
Werknemer is op 4 september 2014 in dienst getreden bij X B.V. (hierna: X) voor de duur van een jaar. Op 5 september 2015 is de arbeidsovereenkomst opnieuw verlengd, ditmaal voor de duur van vijf maanden. X heeft geen eindafrekening gemaakt. Op 5 februari 2017 is werknemer een arbeidsovereenkomst met Y B.V. (hierna: Y) aangegaan voor de duur van een jaar, welke overeenkomst is ondertekend door X. Na 5 februari 2017 is in de werkomstandigheden voor werknemers niets veranderd: hij is en blijft chauffeur van dezelfde vrachtwagen, meldt zich op dezelfde locatie en heeft dezelfde collega’s en werktijden. Daarnaast wordt X, ook na 5 februari 2017, als werkgever vermeld in de salarisstroken van werknemer. Op 22 januari 2018 heeft werknemer zich ziek gemeld. Over deze maand heeft werknemer een salaris ontvangen van € 1.246,60 bruto, terwijl zijn volle salaris € 2.732,00 bruto bedraagt. Over de maand februari heeft werknemer slechts 70% van zijn loon ontvangen, terwijl werknemer van mening is dat uit artikel 16 van de cao Beroepsgoederenvervoer volgt dat hij recht heeft op 100% loon. Werknemer vordert thans het resterende deel van het ontvangen loon over de voornoemde maanden.
Oordeel
Omzetting onbepaaldetijdscontract
De kantonrechter oordeelt dat vast is komen te staan dat de bedrijfsnaam van Y B.V. gelijk is aan de naam van X, althans dat deze wordt bestuurd door dezelfde personen en er feitelijk geen verschillen tussen hen bestaan – zeker met betrekking tot het werk en de aansturing van werknemer in kwestie. Door de opvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, in combinatie met het verstrijken van een periode van twee jaren, is inmiddels van rechtswege een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan. De stelling van X dat over een onbepaaldetijdscontract geen discussie bestaat omdat deze ter ondertekening op het kantoor van X klaarligt, is in het licht van het voorgaande niet relevant.
Loon
Over de maand januari 2018 heeft X aan werknemer slechts een deel van het door haar verschuldigde loon betaald. X voert in dit verband aan dat de reden hiervoor is gelegen in het feit dat werknemer in 2017 te veel vakantiedagen heeft opgenomen. Deze zijn verrekend met het loon over januari 2018. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet is toegestaan, omdat artikel 7:632 BW limitatief regelt in welke gevallen een werkgever een vordering op de werknemer met het verschuldigde loon mag verrekenen. Over de maand februari 2018 heeft X aan werknemer slechts 70% van het loon betaald, omdat laatstgenoemde wegens arbeidsongeschiktheid is uitgevallen. Als onweersproken is echter komen vast te staan dat de cao Beroepsgoederenvervoer op de tussen partijen geldende rechtsverhouding van toepassing is. Ingevolge artikel 16 van de cao heeft werknemer gedurende de arbeidsongeschiktheid recht op 100% van het overeengekomen loon. De vorderingen van werknemer worden dan ook toegewezen.
Wettelijke verhoging
Naar het oordeel van de kantonrechter is het loon niet tijdig aan werknemer uitgekeerd en is zulks aan de werkgever toe te rekenen. X had, als professionele partij, moeten weten dat zij niet zonder meer te veel opgenomen vakantiedagen met het loon mocht verrekenen en tijdens arbeidsongeschiktheid 100% van het laatstgenoten salaris diende uit te keren. Ook de gevorderde wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW wordt daarom aan werknemer toegewezen.