Rechtspraak
X./Raad van Bestuur Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringenRechtbank Noord-Nederland, 29 maart 2018
X./Raad van Bestuur Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
Feiten
Met ingang van 30 juli 2015 staat bedrijf Y B.V. ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. De activiteiten van het bedrijf bestonden uit goederenvervoer over de weg. Op 1 augustus 2015 hebben X en Y B.V. een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd getekend. Op 1 december 2015 is X persoonlijk in staat van faillissement verklaard. Bij vonnis van 11 mei 2016 is Y B.V. in staat van faillissement verklaard. In het faillissementsverslag van 14 juni 2016 is vermeld dat X samen met A. Y B.V. heeft opgericht. X heeft op 25 mei 2016 bij UWV een aanvraag gedaan om met toepassing van hoofdstuk IV van de WW de betalingsverplichtingen van Y B.V. over te nemen. Bij brief van 7 november 2016 heeft UWV X medegedeeld dat de afdeling faillissement (alsnog) een onderzoek heeft ingesteld naar het faillissement van Y B.V. en dat vanaf 1 oktober 2016 X zijn WW-uitkering wordt geschorst in afwachting van het resultaat van onderzoek van de afdeling faillissementen. De resultaten van het onderzoek zijn voor UWV aanleiding geweest om bij het primaire besluit 1 de aanvraag van eiser om overname van de betalingsverplichtingen van Y B.V. af te wijzen op de grond dat eiser niet als werknemer kan worden beschouwd en niet voor de WW verzekerd is. Bij de primaire besluiten 2 en 3 heeft UWV het aan X betaalde voorschot op de WW-uitkering en de daarna toegekende WW-uitkering teruggevorderd. Hiertegen heeft X bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft UWV de bezwaren ongegrond verklaard.
Oordeel
De vraag is of er tussen X en Y B.V. een gezagsverhouding bestond en of de omstandigheden waaronder eiser de werkzaamheden heeft verricht, maken dat er geen sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 WW. Naar het oordeel van de rechtbank is X er niet in geslaagd te bewijzen dat hij werknemer was in de zin van artikel 3 WW en dat een gezagsverhouding bestond tussen hem en de bv. Hiertoe acht de rechtbank redengevend dat het UWV met de in het onderzoeksrapport neergelegde bevindingen voldoende feiten heeft aangedragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat geen sprake is geweest van een gezagsverhouding en daarmee ook niet van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. De rechtbank acht daarvoor redengevend dat de onderlinge relatie, de verschillende bv's, de financiële verstrengeling tussen Y B.V. en Z B.V. (een bedrijf, vermoedelijk van X, waarin Y B.V. heeft geïnvesteerd), de verklaringen van de andere oprichter van Y B.V. en werknemers van Y B.V. dat X geen werkopdrachten van iemand heeft gekregen en samen met de andere oprichter van Y B.V. het bedrijf heeft opgericht, dat de leiding volgens de andere oprichter in handen lag van hen samen, niet duiden op een gezagsverhouding tussen X en Y B.V. Omdat de inhoud van de getekende arbeidsovereenkomst vragen oproept, wordt aan deze overeenkomst in het kader van onderhavige beoordeling geen zwaarwegende betekenis toegekend. De rechtbank volgt X niet in zijn beroepsgrond dat het bestreden besluit berust op onjuiste aannames en belastende verklaringen. Uit de overwegingen 4.5 tot en met 4.12 volgt dat in de relatie tussen X en Y B.V. geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Dit betekent dat X geen werknemer was in de zin van artikel 3 WW en uit dien hoofde dan ook niet verzekerd was voor de WW. Het UWV heeft daarom de aanvraag van X om een uitkering in verband met betalingsonmacht afgewezen. Gelet op al het voorgaande heeft het UWV voorschotten van de WW-uitkering over de in het geding zijnde perioden terecht beëindigd en teruggevorderd.