Rechtspraak
Rechtbank Amsterdam (Locatie Amsterdam), 19 juni 2018
ECLI:NL:RBAMS:2018:4331
Schiphol Nederland B.V. c.s./werknemer c.s.
Feiten
X is op 24 september 2001 bij de (rechtsvoorganger van) Schiphol NL in dienst getreden. X is van 1 mei 2009 tot 1 januari 2012 tevens eigenaar geweest van de eenmanszaak 1, een bedrijf voor technisch ontwerp en advies voor werktuig-, machine- en apparatenbouw. X is gehuwd met Y . Y heeft blijkens een uittreksel van de KvK op 1 april 2016 de eenmanszaak eenmanszaak 2 opgericht. Op 19 mei 2016 is vanuit Engie aan Schiphol NL gemeld dat er een vermoeden van belangenverstrengeling was gerezen ten aanzien van onder meer X. Daarop is op verzoek van Schiphol NL een onderzoek ingesteld door Hoffmann Bedrijfsrecherche B.V. Op 20 juni 2016 is X op non-actief gesteld. Op 22 juni 2016 is door de Rechtbank Amsterdam verlof verleend voor het leggen van het verzochte beslag voor in totaal € 263.900, waarna binnen 28 dagen bij de huidige dagvaarding de eis in de hoofdzaak is ingesteld. Op 28 juni 2016 is het conservatoir beslag gelegd. Na aanvullend verlof is op 4 juli 2016 aanvullend beslag gelegd. Bij beschikking van 23 augustus 2016 is de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden met ingang van 1 september 2016 wegens ernstig verwijtbaar handelen van X als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onder e BW en is voor recht verklaard dat Schiphol terzake geen vergoeding verschuldigd is. Bij brief van 21 juli 2016 heeft Schiphol aangifte gedaan bij de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst.
Oordeel
De kantonrechter stelt voorop dat Schiphol in de onderhavige zaak slechts verklaringen voor recht vordert dat er – kort gezegd – gefraudeerd is door X (bij de uitvoering van diens werkzaamheden) en dat X en Y onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld, waardoor zij schade heeft geleden. Dit betekent dat voor toewijzing van die vorderingen niet vereist is dat alle aan X en Y verweten gedragingen komen vast en in het verlengde daarvan evenmin de omvang van de door Schiphol gestelde schade. Het belangrijkste verweer van X en Y richt zich tegen (de wijze van opstellen van) het rapport van Hoffmans Bedrijfsrecherche en met name dat X bij het afleggen van zijn verklaringen onder druk is gezet, hetgeen door Schiphol uitdrukkelijk is betwist. X heeft onvoldoende onderbouwd weersproken dat via de bedrijven van naam 3 en naam 2, dan wel direct aan hen gelieerde personen, in de privésfeer bestellingen zijn gedaan op kosten van Schiphol (zoals een Tomtom) dan wel verbouwingen hebben plaatsgevonden in de woning (zoals het storten van een betonnen vloer en het sauzen van wanden in de woning), die via facturering van bedrijf A (toebehorend aan een neef van naam 2) aan Cofely en/of naam 2 voor meerdere kleine projecten uiteindelijk door Schiphol zijn betaald. Het verweer van X en Y dat tegenover alle declaraties concrete door X dan wel Y verrichte werkzaamheden staan die marktconform zijn gedeclareerd en dat hoogstens sprake is geweest van het verrichten van nevenwerkzaamheden zonder toestemming van Schiphol, geldt in ieder geval niet voor genoemde privékwesties en kan ook overigens niet slagen. Uit al het voorgaande volgt dat het verweer dat geen sprake is van schade wordt verworpen. Daarmee is niet gezegd dat alle verweten gedragingen en de daaruit voorvloeiende schadebedragen ook vast staan, maar dit is zoals gezegd voor de gevorderde verklaringen voor recht ook niet nodig. Nu X en Y geen volledige openheid van zaken geven, het onderzoek in de strafzaken nog loopt en tijdens het pleidooi onweersproken is gebleven dat inmiddels bij andere verdachten in de strafzaak nog steeds relevante administratie van onder meer eenmanszaak 1 wordt aangetroffen, is de omvang van de schade op dit moment niet vast te stellen. Daarom zal een veroordeling uitgesproken worden tot schadevergoeding op te maken bij staat. Nu het beslag niet ondeugdelijk of onnodig is en er verder geen omstandigheden zijn aangevoerd om het beslag op te heffen, oordeelt de kantonrechter dat bij afweging van de wederzijdse belangen het belang van Schiphol zwaarder dient te wegen dan het belang van X en Y bij opheffing van het beslag. De vordering in reconventie tot opheffing van het beslag en hetgeen verder in dat verband is gevorderd, worden daarom afgewezen.