Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/K&A Montage B.V.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Dordrecht), 7 juni 2018
ECLI:NL:RBROT:2018:4617

werknemer/K&A Montage B.V.

Kort geding. Vordering tewerkstelling na periode van (langdurige) arbeidsongeschiktheid wordt toegewezen. Belang werknemer om volledig salaris te ontvangen en deel te nemen aan het arbeidsproces weegt zwaarder dan het door werkgever ingediende ontbindingsverzoek.

Feiten

Werknemer is op 18 januari 2010 bij K&A Montage (hierna: K&A) in dienst getreden. Laatstelijk is hij werkzaam in de functie van monteur. Werknemer is sinds 6 juni 2016 arbeidsongeschikt. Werknemer vordert bij wijze van voorlopige voorziening tot veroordeling van K&A om hem gedurende drie dagen per week in zijn eigen werk te laten re-integreren en voorts om te voldoen aan alle toekomstige adviezen van de bedrijfsarts betreffende de re-integratie van werknemer. Tevens vordert werknemer tot veroordeling van K&A om op de dagen dat werknemer (in het kader van zijn re-integratie) werkt, hem met een bus en/of auto thuis op te (laten) halen door de voorman, teneinde samen naar het werk te reizen en om werknemer aan het eind van de werkdag ook weer met dezelfde bus/auto terug thuis te (laten) brengen, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Verder verzoekt werknemer tot veroordeling van K&A om hem binnen twee dagen nadat door de bedrijfsarts of verzekeringsarts is geoordeeld dat hij weer volledig arbeidsgeschikt is, weer toe te laten tot zijn bedongen werkzaamheden als monteur, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500 voor iedere dag dat K&A in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen.

Oordeel

Op grond van het bepaalde in artikel 7:658a BW dient K&A te bevorderen dat werknemer weer wordt ingeschakeld in haar bedrijf. Werknemer stelt dat hij belang heeft bij een hervatting van zijn werkzaamheden, omdat hij geruime tijd niet heeft gewerkt en in de gelegenheid wil worden gesteld om zijn eigen werk te hervatten. Daarnaast speelt een financieel belang voor hem, aangezien hij is geconfronteerd met een achteruitgang in zijn salaris van 30%. Door K&A is gesteld dat de verhoudingen inmiddels verstoord zijn. Om die reden heeft zij inmiddels een ontbindingsverzoek ingediend. Zij stelt dat werknemer daardoor thans geen belang meer heeft bij tewerkstelling, althans zij wil hem niet meer toelaten tot het werk. Partijen zijn het erover eens dat werknemer in ieder geval gedurende een deel van de week het eigen werk van monteur kan verrichten. Volgens K&A is werknemer zelfs weer volledig in staat om zijn eigen functie te verrichten. De heer K, directeur van K&A, heeft weliswaar tijdens de mondelinge behandeling verklaard niet meer met werknemer te willen werken, maar werknemer heeft daar tegenin gebracht dat hij (vrijwel) altijd op locatie werkzaam is en er dus sprake is van een minimaal contact tussen hem en de heer K. Dat op dit moment sprake is van een onwerkbare situatie die rechtvaardigt dat werknemer niet tot het werk wordt toegelaten, is daarmee onvoldoende aannemelijk geworden. Afgezet tegen het belang van werknemer om weer aan het arbeidsproces te kunnen gaan deelnemen en weer zijn volledige salaris te kunnen ontvangen, legt de omstandigheid dat door K&A inmiddels een ontbindingsverzoek is ingediend onvoldoende gewicht in de schaal. Immers, op dit moment staat niet vast hoe lang de ontbindingsprocedure gaat duren en wat de uitkomst daarvan is. Gelet hierop is het dan ook aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat K&A haar verplichtingen op grond van artikel 7:658a BW dient na te komen en dat werknemer door haar te werk dient te worden gesteld. De door werknemer gevorderde voorlopige voorzieningen worden daarom toegewezen. Tijdens de mondelinge behandeling is voldoende aannemelijk geworden dat werknemer vóór zijn arbeidsongeschiktheid door een collega werd opgehaald, dan wel zelf collega’s ophaalde, om naar de werkplek te reizen. Uit de stukken is evenwel ook gebleken dat werknemer heeft ingestemd met het reizen per fiets of brommer, die door K&A ter beschikking wordt gesteld, naar het woonadres van collega B. De vordering betreffende het vervoer van en naar het werk wordt daarom toegewezen.