Naar boven ↑

Rechtspraak

De Verenigde Eigen Vervoerder h.o.d.n. Brinkman Trans Holland B.V./werknemers
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 31 juli 2018
ECLI:NL:GHARL:2018:6964

De Verenigde Eigen Vervoerder h.o.d.n. Brinkman Trans Holland B.V./werknemers

Samenloop van loonvorderingen, (ingetrokken) ontslagen op staande voet en ontbindingsverzoeken in bodemprocedures en kort gedingen. De rechter in kort geding dient rekening te houden met een uitspraak in een bodemprocedure, ook als het een tussenuitspraak betreft.

Feiten

Werkgeefster is een internationaal transportbedrijf, werknemer X en Y zijn werkzaam als chauffeur. Werknemers X en Y winnen (met behulp van de FNV) in kort geding (in eerste aanleg) een procedure met betrekking tot achterstallig salaris en betaling van een overurenvergoeding (die werkgeefster op basis van de cao verschuldigd is). Het hoger beroep is aangehouden; de pleidooien in de onderhavige zaak en voornoemde zaak zijn gelijktijdig gehouden. Na het winnen van het kort geding dient werkgeefster een ontbindingsverzoek in voor zowel werknemer X als Y (wegens uitlatingen op Facebook). Op 17 februari 2017 wordt werknemer X op staande voet ontslagen wegens uitlatingen over werkgeefster op Facebook (o.a. dat werkgeefster de gehele transportmarkt naar de donder helpt) nadat hij hier herhaaldelijk voor gewaarschuwd is. Werknemer Y wordt eveneens voornoemde dag op staande voet ontslagen, omdat hij een collega heeft aangevallen. Werkgeefster trekt de ontbindingsverzoeken in. Op 17 maart 2017 spannen werknemer X en Y een kort geding aan, strekkend tot doorbetaling van salaris en wedertewerkstelling. Werknemer X en Y dienen op dat moment nog geen verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet in. De kantonrechter wijst de vorderingen toe, maar wedertewerkstelling vindt niet plaats. Op enig moment trekt werkgeefster de ontslagen op staande voet weer in, zodat het tot vernietiging van die ontslagen niet komt. Op 14 november 2017 dienen werknemer X en Y verzoeken in tot ontbinding van hun arbeidsovereenkomst. Bij beschikking van 1 februari 2018 ontbindt de kantonrechter die arbeidsovereenkomsten per 1 maart 2018. De beslissing over de verzochte toekenning van een billijke vergoeding wordt daarbij aangehouden. In een tussenbeschikking van 7 juni 2018 overweegt de kantonrechter dat geen serieuze aanleiding bestaat voor de ontslagen op staande voet en dat daarom sprake is van ernstig verwijtbaar gedrag aan de zijde van werkgeefster. In het onderhavige kort geding vorderen werknemer X en Y wederom wedertewerkstelling. Daarnaast vorderen zij betaling van loon vanaf 17 februari 2017 tot de dag van de rechtsgeldige beƫindiging van het dienstverband. De kantonrechter heeft de vorderingen toegewezen.

Oordeel

Spoedeisend belang

Het hof stelt vast dat de arbeidsovereenkomsten inmiddels zijn ontbonden per 1 maart 2018, zodat werknemers X en Y vanaf die datum geen belang meer hebben bij hun vorderingen tot loondoorbetaling en wedertewerkstelling, laat staan een spoedeisend belang. In zoverre dient het bestreden vonnis te worden vernietigd. Dat laat onverlet dat zij belang hebben behouden bij beoordeling van het vonnis in eerste aanleg voor zover het betreft de periode tot 1 maart 2018, in het bijzonder met het oog op de vraag of zij hetgeen zij uit hoofde van dat vonnis hebben ontvangen kunnen behouden en of werkgeefster dwangsommen heeft verbeurd wegens het niet nakomen van de veroordeling tot wedertewerkstelling.

Samenloop van procedures

Volgens werkgeefster kan op vorderingen als de onderhavige niet worden beslist als het ontslag niet eerst of gelijktijdig is vernietigd, omdat zonder vernietiging geen arbeidsverhouding (meer) bestaat waar een loonvordering of een vordering tot wedertewerkstelling op kan worden gebaseerd. Die grief faalt. Het huidige ontslagstelsel mag erop gericht zijn om met een ontslag samenhangende vorderingen zo veel mogelijk in samenhang te behandelen, de wet verzet zich niet tegen afzonderlijke behandeling van dergelijke vorderingen. Verder geldt dat voor toewijzing van vorderingen als de onderhavige in kort geding niet is vereist dat de onderliggende rechtsverhouding waarop de vordering is gebaseerd daadwerkelijk (al) bestaat. Voldoende is dat in kort geding met een zodanige mate van zekerheid mag worden verwacht dat die rechtsverhouding zal ontstaan of zal herleven, dat vooruitlopen daarop door middel van het treffen van de verzochte voorzieningen gerechtvaardigd is te achten.

Rechtsgeldigheid ontslag op staande voet in bodemprocedure

In de eerste plaats heeft werkgeefster de ontslagen inmiddels zelf al ingetrokken, waarmee is gegeven dat die ontslagen geen stand hebben gehouden. Bovendien heeft de bodemrechter (in zijn tussenbeschikking van 7 juni 2018) inmiddels geoordeeld dat voor de ontslagen op staande voet geen serieuze grond bestond. De rechter die in kort geding moet beslissen op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de bodemrechter reeds een beslissing in de hoofdzaak heeft gegeven, dient in beginsel zijn oordeel af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter, ongeacht of dit oordeel is gegeven in een tussenuitspraak of in een einduitspraak, in de overwegingen of in het dictum van de uitspraak, en ongeacht of de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Deze afstemmingsregel geldt ook voor de kortgedingrechter in hoger beroep. Het dient er in hoger beroep dus voor te worden gehouden dat de ontslagen onterecht zijn gegeven. Het bestreden vonnis zal gedeeltelijk worden vernietigd onder instandlating van de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte, voor zover die zien op de periode tot 1 maart 2018.