Naar boven ↑

Rechtspraak

werkgeefster/Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het beroepsvervoer over de weg
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 18 september 2018
ECLI:NL:GHARL:2018:8322

werkgeefster/Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het beroepsvervoer over de weg

Pensioenclaim oud-werknemer jegens werkgever leidt tot nader onderzoek. Werkgeefster wordt veroordeeld tot betaling van bijna drie ton aan achterstallige premies. Geen verjaring of rechtsverwerking.

Feiten

Werkgeefster valt onder de werkingssfeer van bedrijfstakpensioenfonds PVF. Naar aanleiding van een pensioenclaim van een oud-werknemer ontdekt PVF begin 2014 dat werkgeefster heeft verzuimd de overwerkuren van haar personeel te verstrekken, hoewel zij daarop wel de pensioenpremies van de werknemers heeft ingehouden. PVF vraagt werkgeefster om een bestand met specificaties. Dit wordt door werkgeefster verstuurd. PVF stuurt werkgeefster vervolgens een nota van € 373.120,45 ter zake van achterstallige pensioenpremies. Werkgeefster weigert deze te betalen en stelt dat zij aan haar pensioenverplichtingen heeft voldaan. PVF stuurt vervolgens een dwangbevel en een deurwaarder, maar betaling blijft uit. Na eisvermindering veroordeelt de kantonrechter werkgeefster tot betaling van € 291.120,45. Werkgeefster vordert in hoger beroep een verklaring voor recht dat PVF niets te vorderen heeft. Werkgeefster betoogt dat zij de gegevens omtrent overuren wél heeft verstrekt. Voor 2006 staat dat inmiddels vast (aldus het hof). Werkgeefster stelt dat zij niet weet van een verschil tussen meeruren en overuren; het is een niet op het Pensioenreglement gebaseerd onderscheid. Het had PVF moeten opvallen dat zij geen overuren zou hebben opgegeven en in zoverre is sprake van eigen schuld. Werkgeefster mocht er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de eindafrekeningen met meeruren juist waren. De vordering is in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

Oordeel

Grondslag premies

Dat werkgeefster geen weet heeft van het verschil tussen over- en meeruren kan zo zijn, maar verklaart niet waarom zij dan blijkens salarisspecificaties wel overuren aan werknemers heeft uitbetaald en daarop de werknemerspremie heeft ingehouden maar deze premies niet heeft afgedragen aan PVF. De bedragen aan over 2007, 2008 en 2009 uitbetaalde overuren die werkgeefster aan PVF heeft verschaft komen niet overeen met de wel door werkgeefster doorgegeven meeruren. Bovendien heeft werkgeefster niet aangetoond dat zij indertijd wel de juiste gegevens heeft aangeleverd en wat dan de juiste gegevens zijn. De verplichting tot aanlevering van de juiste en volledige gegevens rust op werkgeefster en zij is die verplichting niet getrouw nagekomen. Daardoor lijdt PVF schade wanneer pensioengerechtigden kunnen aantonen dat zij meer pensioen hebben opgebouwd dan waar PVF aan de hand van de opgaven van de werkgever en de afgedragen premie rekening mee hield. PVF vordert echter geen schadevergoeding, maar nakoming door werkgeefster van haar betalingsverplichting. Het beroep op eigen schuld mist in dat verband een juridisch fundament. Het is niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat PVF nakoming verlangt van de betalingsverplichting omdat werkgeefster hiermee in haar bedrijfsvoering na 2006 geen rekening heeft kunnen houden. Zij dient immers bij haar bedrijfsvoering rekening te houden met de verplichtingen die zij op grond van de verplichte deelneming, ook jegens haar werknemers, heeft.

Verjaring/rechtsverwerking

Werkgeefster miskent dat PVF nakoming van de verplichting tot premiebetaling heeft gevraagd. Daarbij gaat het niet om een achterstand in een periodieke betalingsverplichting zoals bedoeld in artikel 3:308 BW, maar om een eerst in 2014 bekend geworden tekort over enkele jaren als gevolg van onjuiste informatieverstrekking. De vordering tot betaling van dat tekort is opeisbaar geworden door het opleggen van de alsnog te betalen premie met de factuur van 16 mei 2014. Van verjaring was ten tijde van het betekenen van het dwangbevel dan ook geen sprake. Evenmin is sprake van rechtsverwerking. Voor rechtsverwerking is vereist dat zich bijzondere omstandigheden voordoen als gevolg waarvan ofwel bij werkgeefster als schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat PVF als schuldeiser haar aanspraak niet meer geldend zou maken, ofwel de schuldenaar in zijn positie onredelijk zou worden benadeeld als de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldig zou maken. Het is daarbij de hoofdregel dat de schuldenaar feiten en omstandigheden stelt (en zo nodig bewijst) waaruit kan worden afgeleid dat aan de voorgaande vereisten is voldaan. Dat heeft werkgeefster niet gedaan met haar standpunt dat zij PVF onvolledig mag informeren en PVF vervolgens mag verwijten dat zij geen vragen heeft gesteld. Het is het hof ook niet duidelijk waarom het onaanvaardbaar zou zijn dat werkgeefster haar schuld alsnog betaalt.