Rechtspraak
Hof van Justitie van de Europese Unie, 20 september 2018
ECLI:EU:C:2018:758
Chiara Motter/Provincia autonoma di Trento
Feiten
Chiara Motter werd in de loop van 2003 aangeworven door de autonome provincie Trento op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd als docent secundair onderwijs voor het schooljaar 2003-2004. Zij heeft die activiteit nadien zonder onderbreking voortgezet, door middel van zeven andere, opeenvolgende overeenkomsten, telkens voor een bepaalde duur welke overeenkwam met die van het schooljaar. Sinds 1 september 2011 heeft Motter een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op 1 september 2012 is zij aangesteld in vaste dienst. Op 8 september 2014 heeft de autonome provincie Trento de loopbaan van Motter gereconstrueerd met het oog op haar indeling in rang krachtens een regeling die vanaf 1 januari 2012 van toepassing was. Overeenkomstig artikel 485, lid 1, van Decreto legislativo nr. 297 van 16 april 1994, werd aan Motter een anciënniteit toegekend van 80 maanden over de 96 feitelijk gewerkte maanden. De eerste vier jaar werden volledig in aanmerking genomen en de volgende vier in een verhouding die beperkt was tot twee derde, dat wil zeggen tot 32 maanden van de 48. Zij werd ingedeeld in de eerste rang. De verwijzende rechter wenst te vernemen of clausule 4 van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd aldus moet worden uitgelegd dat hij zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling als die in het hoofdgeding, krachtens welke bij de aanwerving van een werknemer als statutair ambtenaar op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken, met het oog op diens indeling in een salarisgroep de diensttijdvakken die zijn vervuld op grond van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd tot en met het vierde jaar volledig, en na het vierde jaar gedeeltelijk, dat wil zeggen voor twee derde, in aanmerking worden genomen.
Oordeel
Onderscheid
Vastgesteld moet worden dat het feit dat werkneemster geen geslaagde was van een administratief vergelijkend onderzoek, niet kan impliceren dat haar positie ten tijde van haar aanstelling voor onbepaalde tijd niet vergelijkbaar was met die van statutaire ambtenaren, aangezien de voorwaarden van de nationale procedure van aanwerving op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken er juist op zijn gericht dat werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met een beroepservaring die het mogelijk maakt hun situatie gelijk te stellen met die van de statutaire ambtenaren, worden toegelaten tot het permanente kader van de openbare dienst (zie in die zin HvJ EU 18 oktober 2012, Valenza e.a., gevoegde zaken C-302/11–C-305/11, ECLI:EU:C:2012:646, punt 45). Nagegaan moet worden of er een objectieve reden bestaat om bij de indeling in salarisgroep van ambtenaren in het secundair onderwijs die zijn aangeworven op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken, de in het kader van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd vervulde diensttijdvakken die de vier jaar overschrijden, niet volledig in aanmerking te nemen.
Objectieve rechtvaardiging
De door de Italiaanse regering aangevoerde doelstellingen, bestaande in enerzijds het in acht nemen van de verschillen in beroepsuitoefening tussen de twee betrokken categorieën werknemers, en anderzijds het voorkomen van omgekeerde discriminatie jegens statutaire ambtenaren die zijn aangeworven na te zijn geslaagd voor een algemeen vergelijkend onderzoek, kunnen worden beschouwd als een 'objectieve reden' in de zin van clausule 4, punten 1 en/of 4, van de raamovereenkomst, voor zover zij voorzien in een werkelijke behoefte, geschikt zijn om de nagestreefde doelstelling te bereiken en daartoe noodzakelijk zijn (zie in die zin HvJ EU 18 oktober 2012, Valenza e.a., gevoegde zaken C-302/11–C-305/11, ECLI:EU:C:2012:646, punt 62). Onder voorbehoud van verificaties die uitsluitend onder de bevoegdheid van de verwijzende rechter vallen, moet worden aanvaard dat de doelstellingen die de Italiaanse regering in casu aanvoert op goede gronden kunnen worden geacht te zijn bedoeld om te voorzien in een werkelijke behoefte. Uit de opmerkingen van die regering blijkt immers dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling gedeeltelijk is bedoeld om de verschillen te reflecteren tussen de ervaring die is opgedaan door docenten die zijn aangeworven door middel van een vergelijkend onderzoek en de ervaring die is opgedaan door degenen die op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken zijn aangeworven, vanwege de diversiteit van de onderwerpen en de voorwaarden waaronder en tijdschema’s waarbinnen zij, met name in het kader van de vervanging van andere docenten, onderwijs moeten geven. De Italiaanse regering stelt dat de prestaties van docenten met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gedurende een periode die kan oplopen tot 180 dagen per jaar, dat wil zeggen ongeveer twee derde van een schooljaar, vanwege de heterogeniteit van deze situaties door de nationale regeling worden gelijkgesteld met een dienst van een volledig schooljaar. Onder voorbehoud van verificatie van deze elementen door de verwijzende rechter, lijkt een dergelijke doelstelling verenigbaar te zijn met het pro-rata-temporisbeginsel, waarnaar punt 2 van clausule 4 van de raamovereenkomst uitdrukkelijk verwijst. Een nationale regeling als die in het hoofdgeding, die de inaanmerkingneming van een anciënniteit van meer dan vier jaar die is opgebouwd op basis van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, verhoudingsgewijs beperkt tot twee derde, kan niet worden geacht verder te gaan dan wat nodig is om de eerder onderzochte doelstellingen te bereiken en om een evenwicht te vinden tussen de legitieme belangen van werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd en die van werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, met inachtneming van de meritocratische waarden en overwegingen van onpartijdigheid en doelmatigheid van de administratie waarop de aanwerving door middel van een vergelijkend onderzoek berust.