Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/Stichting Christelijk Onderwijs Groningen
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 20 november 2018
ECLI:NL:GHARL:2018:10097

werkneemster/Stichting Christelijk Onderwijs Groningen

Onduidelijkheid of sprake is geweest van ziekte bij de opzegging van een docent. Benoeming deskundige.

Feiten

Werkneemster is als docent in dienst bij werkgeefster. Met ingang van 1 augustus 2012 wordt de betrekkingsomvang met 0,12 fte uitgebreid in verband met werkzaamheden op het gebied van internationalisering. Met ingang van 1 augustus 2013 wordt de arbeidsomvang nog eens uitgebreid, dit keer voor 0,14 fte, in verband met werkzaamheden op het gebied van beeldcoaching. Deze uitbreidingen zijn door middel van aanhangsel bij de akte van benoeming schriftelijk vastgelegd. Daarin is opgenomen dat het gaat om tijdelijke uitbreigingen tot 1 augustus 2014. Nadat onenigheid met een collega ontstaat, gebruikt die collega werkneemsters naam in een CITO-examen. Daarin wordt zij een ‘alleenstaande bijstandsmoeder’ genoemd. Op 18 januari 2014 meldt werkneemster zich ziek. In de rapporten van de bedrijfsarts is te lezen dat geen sprake is van medische beperkingen. Bij besluit van 21 augustus 2014 wordt werkneemsters arbeidsovereenkomst per 1 december 2014 opgezegd. Op 5 september 2014 bezoekt werkneemster een psychiater. Die geeft werkneemster de diagnose ‘depressieve stoornis, ernstig’. In het deskundigenoordeel van het UWV is te lezen dat werkneemster op 27 september 2014 haar eigen werkzaamheden niet kon doen. In een brief van de psychiater aan het UWV als reactie op een niet-medische rapportage ziektewet schrijft hij dat hij zich heeft verschreven en dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag 20 januari 2014 moet zijn. De verzekeringsarts neemt deze conclusie in zijn rapport over. Werkneemster stelt ten eerste dat de arbeidsovereenkomst is opgezegd tijdens ziekte en ten tweede dat bij de berekening van het salaris is uitgegaan van een verkeerde grondslag (namelijk zonder de uitbreiding van de arbeidsomvang).

Oordeel

Vernietigbaarheid ontslag wegens ziekte

Werkgeefster heeft op 23 juli 2014 aan werkneemster het voornemen kenbaar gemaakt over te gaan tot ontslag. Pas op 21 augustus 2014 is het echter tot daadwerkelijke opzegging gekomen. Beoordeeld moet dus worden of werkneemster op 21 augustus 2014 ongeschikt was tot het verrichten van arbeid wegens ziekte. De psychiater heeft op 27 september 2014 en 25 oktober 2014 gesproken met werkneemster. Zijn diagnose houdt in dat sprake is van een ernstige depressieve stoornis. Deze diagnose en de deskundigheid van de psychiater zijn niet gemotiveerd weersproken. Uitgangspunt is daarom dat per datum eerste bezoek aan de psychiater (27 september 2014) sprake was van een ernstig depressieve stoornis. De verzekeringsarts heeft vervolgens tijdens het spreekuur op 29 oktober 2014 gerapporteerd dat werkneemster wegens psychische klachten volledig arbeidsongeschikt is voor het eigen werk per 27 september 2014 (eerste consult van werkneemster bij de psychiater). Ook hier geldt dat de deskundigheid van de verzekeringsarts en het gegeven oordeel niet gemotiveerd zijn weersproken. Uitgangspunt is daarom dat in ieder geval per 27 september 2014 sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid wegens psychische klachten. Het debat in deze zaak gaat over de vraag of van een nog eerdere ziektedatum (21 augustus 2014) kan worden uitgegaan. Dat de volledige arbeidsongeschiktheid daadwerkelijk reeds bestond per 21 augustus 2014 is door werkneemster nader onderbouwd met het bericht van de psychiater in reactie op een brief van de advocaat van werkneemster van 10 mei 2016, waarin deze uitdrukkelijk stelt dat zijn diagnose de conclusie rechtvaardigt dat werkneemster ook reeds op 21 augustus 2014 volledig arbeidsongeschikt was. Onderbouwing is ook aangeleverd met het oordeel van de verzekeringsarts van 30 januari 2018. Hierin staat te lezen dat (1) zich in de loop van juli en augustus 2014 geen aanvullend ernstig belastend voorval heeft voorgedaan dat zou kunnen leiden tot een vrijwel acute ontwikkeling tot een ernstige depressie op 5 september 2014 – dit maakt aannemelijk dat ook op 23 juli 2014 en 21 augustus 2014 sprake was van ziekte, met daaraan verbonden beperkingen die leiden tot arbeidsongeschiktheid en (2) een eerste arbeidsongeschiktheidsdag daarmee vóór 23 juli 2014 ligt. Werkgeefster heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de stellingen van werkneemster. Het hof overweegt daarover als volgt. Werkneemster heeft zich op 20 januari 2014 ziekgemeld. Op 27 januari en 8 april 2014 is haar ziekte door de bedrijfsarts echter niet ondersteund. Een nieuwe ziekmelding heeft na 8 april 2014 niet plaatsgevonden. Weliswaar bleef werkneemster volgehouden ziek te zijn, maar steun voor die stelling (bedrijfsarts of deskundigenoordeel) was er op 21 augustus 2014 niet. Dat werkgeefster op die datum meende dat van ziekte geen sprake was, is dan ook wel begrijpelijk. Dat helpt haar echter niet verder. Het opzegverbod wegens ziekte is nogal absoluut geformuleerd. Of de werkgever die ziekte kende of kon kennen of zelfs mocht menen dat die er niet was is van geen belang. Een depressieve stoornis ontwikkelt zich, naar werkneemster met een beroep op de inzichten van de psychiater gemotiveerd heeft gesteld en door werkgeefster op zichzelf niet is bestreden, doorgaans geleidelijk en in toenemende mate gedurende een periode van maanden. De in deze zaak te beoordelen datum (21 augustus 2014) is relatief kort (ongeveer vijf weken) voor die van 27 september 2014 gelegen en valt dus ruim binnen de door de psychiater genoemde 'periode van maanden', waarbinnen een depressieve stoornis pleegt te ontstaan. Deze constateringen rechtvaardigen de conclusie dat voorshands bewezen is dat werkneemster ook reeds op 21 augustus 2014 volledig arbeidsongeschikt was. Het hof benoemt, na het aanbod tegenbewijs te leveren door werkgeefster, een deskundige om (onder andere) nader te onderzoeken of werkneemster op voornoemde datum inderdaad leed aan de door de psychiater genoemde ziektebeelden. De zaak wordt aangehouden.

Arbeidsomvang

Blijkens de aanhangsels bij de akten van benoeming is de omvang van de betrekking 'tijdelijk uitgebreid'. Die akten zien, dat is niet in geschil, op de werkzaamheden voor internationalisering en beeldcoaching. Uit de akten blijkt derhalve van het tijdelijk karakter van deze uitbreiding. Werkneemster wordt ook geacht dit te hebben begrepen, omdat zij hier zelf van uit is gegaan in gesprekken met werkgeefster. Bij het eindvonnis zal van het voorgaande worden uitgegaan.