Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 8 november 2018
ECLI:NL:RBROT:2018:9228
werknemer/B.V. Uitgeversmaatschappij Eilanden-Nieuws
Feiten
De kantonrechter heeft in een tussenbeschikking werkgeefster (uitgever) in de gelegenheid gesteld om, teneinde te kunnen beoordelen of aan de vereisten van artikel 6 Ontslagregeling wordt voldaan, nader met stukken te onderbouwen dat zij met ‘echte zelfstandigen’ gaat werken. Werkgeefster moest daarbij ingaan op de vraag op welke manier zij na het vertrek van werknemer invulling gegeven heeft. Werkgeefster moest met andere woorden antwoord geven op de vraag door wie de na het vertrek van werknemer in de krant verschenen artikelen zijn geschreven, of dit gebeurd is door ‘echte zelfstandigen’.
Oordeel
De kantonrechter is van oordeel dat werkgeefster onvoldoende gebruikgemaakt heeft van de aan haar gegeven mogelijkheid. De stellingen die werkgeefster inneemt ter onderbouwing van haar standpunt dat zij na het vertrek van werknemer invulling heeft gegeven aan haar beleidsvoornemens, getuigen namelijk van een te eenvoudige kijk op de gang van zaken, neerkomend op: werknemer schreef in een bepaalde periode 500 artikelen, X schrijft in een vergelijkbare periode 100 artikelen: conclusie: X heeft het werk van werknemer voor 20 procent overgenomen. Bij deze kijk op de gang van zaken gaat zij echter niet in op de inhoud van de artikelen en op de vraag welk artikel dat eerst door werknemer geschreven zou zijn, nu door een ‘echte zelfstandige’ geschreven is. Werkgeefster gaat evenmin in op de vraag in hoeverre de krant wat de inhoud betreft zónder werknemer verschilt van de krant mét werknemer, terwijl het voornemen nu juist was er een andere krant van te maken. De kantonrechter begrijpt dat verandering niet van de ene dag op de andere plaats kan vinden, maar tussen het vertrek van werknemer en de akte van werkgeefster zit vijf maanden. Een dergelijke periode is lang genoeg om íets van verandering waar te kunnen nemen maar of die verandering er is, blijkt in ieder geval niet uit de enkele opsomming van enkele cijfers door werkgeefster. Dit leidt tot het oordeel dat werkgeefster niet heeft aangetoond dat de arbeidsplaats van werknemer is vervallen. Werkgeefster heeft de arbeidsovereenkomst dus opgezegd in strijd met artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder a BW. Omdat werkgeefster de arbeidsovereenkomst in strijd met voornoemd artikel heeft opgezegd, is het verzoek van werknemer tot veroordeling van werkgeefster tot herstel van de arbeidsovereenkomst toewijsbaar. Werkgeefster moet werknemer binnen twee weken na de betekening van deze beschikking een arbeidsovereenkomst aanbieden onder dezelfde voorwaarden en in dezelfde functie als de beëindigde arbeidsovereenkomst. De vordering tot betaling van achterstallig loon is niet toewijsbaar. Gedurende de periode van 1 mei 2018 tot de datum van herstel heeft immers geen arbeidsovereenkomst bestaan en de arbeidsovereenkomst herleeft pas na uitvoering van de herstelveroordeling. De kantonrechter zal bij wijze van voorziening als bedoeld in artikel 7:682 lid 6 BW werkgeefster veroordelen om aan werknemer te betalen een bedrag gelijk aan het in geld vastgesteld loon dat werknemer ontvangen zou hebben indien de arbeidsovereenkomst niet zou zijn opgezegd, dus over de periode van 1 mei 2018 tot aan de dag van herstel. Het verzoek om werkgeefster te veroordelen werknemer over het sinds 1 mei 2018 niet betaalde loon en de niet betaalde vakantietoeslag wettelijke rente en de wettelijke verhoging te doen betalen is niet toewijsbaar. Werkgeefster is namelijk niet in verzuim met de betaling van loon en vakantietoeslag sinds 1 mei 2018. Zij had de arbeidsovereenkomst immers rechtsgeldig, met toestemming van het UWV, opgezegd en hoefde daarom geen loon en vakantietoeslag te betalen. Werknemer dient de door hem ontvangen transitievergoeding terug te betalen, omdat door het herstel de fictie van een niet-onderbroken, niet opgezegde arbeidsovereenkomst ontstaat.