Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgever
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 11 januari 2019
ECLI:NL:RBNHO:2019:785

werknemer/werkgever

Conclusie van UWV-deskundige dat werkneemster wegens arbeidsongeschiktheid haar werkzaamheden niet kan uitvoeren wordt niet gevolgd. Niet is duidelijk geworden welke informatie de deskundige in het oordeel heeft betrokken.

Feiten

Werkneemster is op 8 mei 2018 in dienst getreden bij werkgever in de functie van inpakker/chauffeur. Op 18 juni 2018 heeft werkneemster zich ziek gemeld. De bedrijfsarts oordeelt, nadat hij met werkneemster heeft gesproken, dat er geen sprake is van medische beperkingen, ziekte of gebrek. Wel is sprake van werkgerelateerde spanningsklachten. Ook een andere bedrijfsarts oordeelt dat er geen sprake is van een medische ziekte of gebrek, maar van een arbeidsconflict. Uit het door werkneemster aangevraagde deskundigenoordeel volgt ook dat zij per 18 juni 2018 geschikt wordt geacht voor haar eigen werk. Werkneemster heeft vervolgens opnieuw om een deskundigenoordeel gevraagd. Ditmaal oordeelt de deskundige van het UWV op 10 oktober 2018 dat werkneemster niet geschikt is voor haar eigen werk omdat wegens het gebruik van geneesmiddelen het beroepsmatig besturen van gemotoriseerde voertuigen wordt afgeraden. Aangezien dat een essentieel onderdeel is van haar arbeid, is zij naar het oordeel van de deskundige per 29 juni 2018 niet in staat om haar arbeid in volle omvang uit te voeren. Op 24 oktober 2018 oordeelt de bedrijfsarts dat werkneemster arbeidsongeschikt is voor haar werk en dat de relevante beperking voor haar werk is dat zij (beroepsmatig) geen auto mag besturen maar zij wel geschikt is voor andersoortige werkzaamheden. Werkgever laat werkneemster weten dat indien werkneemster geen passende arbeid verricht, de loonstop wordt gehandhaafd. Werkneemster dient vervolgens in kort geding een verzoek in tot betaling van het achterstallig loon over de periode van 29 juni 2018 tot 8 december 2018.

Oordeel

In het deskundigenoordeel van 10 oktober 2018 heeft de deskundige, zonder dat hij de werkneemster, de werkgever, de bedrijfsarts of de behandelaar heeft gesproken, geoordeeld dat werkneemster op basis van informatie uit eerder onderzoek, medische informatie en informatie uit de aanvraag de werkneemster per geschildatum 29 juni 2018 niet geschikt is voor het eigen werk. Het is echter niet duidelijk geworden welke informatie de deskundige in dit oordeel heeft betrokken. Ook is onduidelijk welke ziekmelding de deskundige nu heeft beoordeeld, temeer nu er geen ziekmelding per 29 juni 2018 heeft plaatsgevonden. Dit geldt overigens evenzeer voor enige medische informatie na 29 juni 2018. Daarbij is van belang dat vast is komen te staan dat slechts een deel van de voorgeschreven medicijnen de rijvaardigheid tijdelijk beïnvloeden. Dergelijke informatie was ook in oktober 2018 beschikbaar en die had de deskundige derhalve in zijn oordeel kunnen betrekken. De deskundige overweegt voorts – zonder enige toelichting – dat het beroepsmatig besturen van gemotoriseerde voertuigen een essentieel onderdeel van de arbeid van de werkneemster is. Volgens werkgever betrof het rondrijden slechts een deel van de werkzaamheden. De kantonrechter kan onder deze omstandigheden de conclusie van de deskundige over het niet kunnen uitvoeren van werkzaamheden niet overnemen. Het is immers niet vast komen te staan dat werkneemster niet in staat was de overige werkzaamheden te verrichten. Van een goed werknemer mag verlangd worden dat zij contact onderhoudt met haar werkgever en duidelijkheid geeft over de (on)mogelijkheden om (een deel van de) werkzaamheden te kunnen uitvoeren dan wel om te kunnen re-integreren. Voorts is op geen enkele wijze onderbouwd dat het haar zou zijn afgeraden openbaar vervoer te gebruiken en zij daardoor niet kon verschijnen. Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verzochte voorlopige voorziening van de werkneemster moet worden afgewezen.