Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/werkgeefster
Rechtbank Den Haag (Locatie 's-Gravenhage), 3 oktober 2018
ECLI:NL:RBDHA:2018:16167

werknemer/werkgeefster

De kantonrechter berekent de hoogte van de transitievergoeding en veroordeelt werkgeefster deze aan werknemer te betalen. Ook wordt werkgeefster veroordeeld tot het betalen van een vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen.

Feiten

In 2012 is werknemer in dienst getreden bij de voorganger van werkgeefster. Vervolgens is werknemer in 2014 in dienst gekomen bij werkgeefster. Werkgeefster heeft op 10 januari 2018 toestemming aan het UWV gevraagd om de arbeidsovereenkomst met werknemer te beëindigen wegens bedrijfseconomische redenen. Het UWV heeft toestemming gegeven voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en werkgeefster heeft op 9 februari 2018 de arbeidsovereenkomst schriftelijk opgezegd. Per 1 maart 2018 is het dienstverband van werknemer beëindigd. Werknemer verzoekt werkgeefster te veroordelen tot het betalen van de transitievergoeding alsmede tot betaling van de vergoeding van niet-genoten vakantiedagen/-uren over de periode 1 februari 2012 tot 1 maart 2018.

Oordeel

Transitievergoeding

Niet in geschil is dat aan werknemer een transitievergoeding toekomt op grond van artikel 7:673 BW. Wel in geschil staat de hoogte van de transitievergoeding. Ter zitting hebben partijen overeenstemming bereikt over: de datum van indiensttreding, de geboortedatum van werknemer, het uurloon en de urenomvang. Bij de vaststelling van de duur van de arbeidsovereenkomst ten behoeve van de berekening van de hoogte van de transitievergoeding, zullen de maanden waarin werknemer reeds voor werkgeefster werkzaam was, maar nog niet de leeftijd van 18 jaren had bereikt, conform artikel 7:673 lid 4 sub a BW buiten beschouwing worden gelaten. De twee opvolgende arbeidsovereenkomsten die werknemer bij werkgeefster heeft gehad, worden conform artikel 7:673 lid 4 sub b BW samengeteld. Op grond van bovenstaande gegevens komt de kantonrechter tot een transitievergoeding van € 833,94 bruto te betalen door werkgeefster aan werknemer. Dit verzoek wordt derhalve tot bovengenoemd bedrag toegewezen.

Niet-genoten vakantiedagen/-uren

De kantonrechter maakt voor de beoordeling van het verzoek van werknemer aangaande de vergoeding over niet-genoten vakantiedagen/-uren, onderscheid tussen de volgende perioden: (1) februari 2012-30 november 2014 en 1 mei 2016-31 december 2016, (2) 1 december 2014-30 april 2016 en (3) 1 januari 2017-1 maart 2018.

De wettelijke vakantiedagen van 1 februari 2012-30 november 2014 en 1 mei 2016-31 december 2017 zijn komen te vervallen op grond van de wettelijke vervaltermijn. De gevorderde vergoeding over niet-genoten vakantiedagen/-uren over deze periode zal dan ook worden afgewezen. De vordering tot vergoeding van niet genoten vakantiedagen/-uren over de periode 1 december 2014 tot en met 30 april 2016 is niet-ontvankelijk. Verder ligt de vraag voor of werknemer aanspraak kan maken op opgebouwde vakantiedagen/-uren in de periode 1 januari 2017-1 maart 2018. De aanspraak van werknemer op de vergoeding van niet-genoten vakantiedagen/-uren over deze periode wordt niet door werkgeefster betwist. Nu werknemer zijn verzoek binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar 2017 – op 30 mei 2018 – heeft ingediend kan hij op grond van artikel 7:640a BW aanspraak maken op deze vakantiedagen/-uren. Bij berekening van de aanspraak op vergoeding van niet genoten vakantiedagen wordt het aantal uren vermenigvuldigd met het uurloon, waarbij de kantonrechter op een totaal brutobedrag komt van € 498,98 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 maart 2018, te betalen door werkgeefster aan werknemer. De kantonrechter veroordeelt werkgeefster derhalve bovengenoemd bedrag aan werknemer te betalen. De overige vorderingen van werknemer worden afgewezen.