Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 6 februari 2019
ECLI:NL:RBLIM:2019:1101
werknemer/Sappi Maastricht B.V.
Feiten
Werknemer vordert een verklaring voor recht omtrent de gevolgen van een per 1 januari 2017 doorgevoerde wijziging van de seniorenregeling in haar ondernemings-cao. Werknemer voert daartoe het volgende aan. Op de arbeidsovereenkomst van partijen is door middel van incorporatie een ondernemings-cao van toepassing die onder meer een verlofregeling voor senioren bevat. Deze regeling is per 1 januari 2017 aangepast in het nadeel van werknemer. De wijziging impliceert voor werknemer een verlies van 110 verlofdagen tot het moment van pensionering. Werknemer meent dat hij eerder voor die dagen loon inleverde (‘spaarde’) en spreekt daarom van een ‘verworven recht’. Werknemer meent dat het desondanks toepassen van de nieuwe regeling op hem dan ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar geacht moet worden. Daarnaast stelt werknemer dat hij bij Sappi de enige in zijn leeftijdscategorie is en daarom van de objectief niet te rechtvaardigen wijziging disproportioneel nadeel ondervindt.
Oordeel
De kantonrechter overweegt dat het uitermate vreemd zou zijn als werknemer zich aan de toepassing van de nieuwe ouderenregeling zou kunnen onttrekken, waar iedere andere Sappi-werknemer zich zonder meer bij een minder gunstige uitkomst van de verloffaciliteit zou moeten neerleggen. Dat sprake zou zijn van een ‘verworven recht’ is bovendien een misvatting. Iedere arbeidsvoorwaarde in een cao is op ieder moment de uitkomst van een ingewikkeld spel van verdelen en herverdelen en bevat geen enkele garantie dat deze in een volgende cao-periode ongewijzigd zal blijven. Arbeidsvoorwaarden komen en gaan en dit moet ook werknemer in de 44 jaar dat hij nu bij Sappi werkzaam is, gemerkt hebben. Waar werknemer daarnaast met zijn ‘spaarargument’ en zijn aanspraak op ‘verworven rechten’ aan voorbijziet, is dat niet de gewerkte en verloonde tijd de aanspraak op verlof creëert, maar het bereiken van een bepaalde leeftijd. Aangezien op het moment dat werknemer de relevante leeftijd bereikte, inmiddels een andere regeling bestond, heeft hij op dat ogenblik nog geen enkele ‘gespaarde’ verlofaanspraak verworven en kan hij geen aanspraak maken op enig ‘verworven recht’. Dat werknemer ‘disproportioneel’ getroffen wordt door de wijziging en dat hij hierin alleen zou staan, is in geen enkel opzicht waargemaakt. De gevraagde verklaring voor recht wordt derhalve afgewezen.