Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 15 februari 2019
ECLI:NL:RBROT:2019:1486
werknemer/werkgeefster
Feiten
Werknemer is op 2 januari 1985 fulltime bij werkgeefster in dienst getreden in de functie van CNC frezer. In de machinefabriek van werkgeefster wordt gewerkt met een grote CNC freesmachine en een kleine CNC freesmachine. Werknemer is werkzaam op de grote machine. Op 3 november 2014 is werknemer als gevolg van schouderklachten uitgevallen van zijn werkzaamheden. Omstreeks april/mei 2016 is hij gestart met re-integratiewerkzaamheden. Werknemer is tewerkgesteld in aangepaste werkzaamheden op de kleine freesmachine. In juli 2016 is door een arbeidsdeskundige geoordeeld dat werknemer ongeschikt is voor zijn oorspronkelijke functie op de grote freesmachine, maar dat hij geschikt is voor het aangepaste werk op de kleine freesmachine. In november 2016 heeft de arbeidsdeskundige van het UWV in het kader van de WIA-beoordeling eveneens geoordeeld dat werknemer ongeschikt is voor de oorspronkelijke arbeid. Hoewel werknemer aanvankelijk van mening was dat hij geschikt was voor zijn eigen werk op de grote freesmachine en in deze functie kon terugkeren, heeft hij begin januari 2017 uitdrukkelijk verklaard zich neer te leggen bij de oordelen van de arbeidsdeskundigen en is hij akkoord gegaan met het verrichten van de aangepaste werkzaamheden op de kleine freesmachine tegen de lagere loonwaarde van 70 procent. De kern van het geschil tussen partijen is of werknemer over dagen waarop hij, na het eindigen van de loonbetalingsverplichting per 31 oktober 2016, door ziekte niet heeft kunnen werken, opnieuw recht heeft op loonbetaling op grond van artikel 7:629 BW.
Oordeel
De kantonrechter stelt voorop dat, als een werknemer die passend werk verricht na 104 weken opnieuw uitvalt, een werkgever in beginsel geen loon door hoeft te betalen, tenzij de passende arbeid de bedongen arbeid is geworden. Zie HR 30 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8134 (Kummeling/Oskam). Nu geen expliciete nadere overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, moet beoordeeld worden of werknemer er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat de door hem verrichte passende arbeid stilzwijgend de bedongen arbeid is geworden. Tussen partijen bestaat geen discussie over de aard en omvang van de werkzaamheden die werknemer verricht. Hij is sinds medio augustus 2016 – inmiddels dus meer dan 2,5 jaar – zijn volledige uren werkzaam in aangepast werk op de kleine machine. Hij heeft zich op 9 januari 2017 volledig hersteld gemeld voor deze werkzaamheden en staat ook niet meer als arbeidsongeschikt geregistreerd. Werknemer is akkoord gegaan met het vastgestelde lagere loon van 70 procent dat op de loonstrook ook staat aangeduid als het ‘overeengekomen salaris’. In aanvulling daarop ontvangt werknemer een uitkering krachtens de verplichte WIA-bodemverzekering. Werkgeefster heeft zich in juli 2016 tegenover de arbeidsdeskundige bereid verklaard om werknemer structureel het aangepaste werk op de kleine freesmachine aan te bieden. De kantonrechter concludeert uit het voorgaande dat de re-integratie van werknemer volledig is afgerond en dat hij succesvol is herplaatst in een andere passende functie op de kleine freesmachine. Dit betreft een structurele oplossing. Gelet op deze omstandigheden heeft werknemer er gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat de door hem verrichte passende arbeid op de kleine freesmachine de bedongen arbeid is geworden. De kantonrechter acht het aannemelijk om uit te gaan van 1 november 2016 als omslagpunt. De door werknemer gevorderde verklaring voor recht en de loonvordering worden toegewezen.