Rechtspraak
Rechtbank Den Haag (Locatie Den Haag), 21 december 2018
ECLI:NL:RBDHA:2018:16295
werkneemster/Tandheelkundige praktijk Belgisch Park B.V.
Feiten
Werkneemster is op 18 juli 2017 in dienst getreden bij de Praktijk. Partijen hebben op 30 januari 2018 een stuk ondertekend, inhoudende een verlenging arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot en met 30 juli 2018. In het stuk is daarnaast opgenomen dat deze arbeidsovereenkomst niet stilzwijgend wordt verlengd, tenzij werkgever de verlenging vooraf expliciet schriftelijk aan de werknemer heeft vermeld. Tijdens de vakantie van werkneemster heeft een e-mailwisseling tussen partijen plaatsgevonden, waarin is medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden verlengd. Werkneemster vordert onder meer bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van het geding de Praktijk te veroordelen tot betaling van het salaris van werkneemster. Daarnaast vordert zij betaling van de aanzegvergoeding. Werkneemster legt hieraan ten grondslag dat de arbeidsovereenkomst is verlengd tot en met 31 juli 2018 en daarna is verlengd tot 31 januari 2019. Die laatste verlenging is haar volgens werkneemster op of rond 8 juli 2018 mondeling medegedeeld. Aan werkneemster is vervolgens toestemming gegeven om van 1 tot en met 19 augustus 2018 vakantie te nemen, waarna het reeds vóór haar vakantie aan haar voorgelegde nieuwe contract zou worden ondertekend. De Praktijk voert verweer.
Oordeel
Partijen verschillen onder meer van mening over de vraag voor welke duur de aanvankelijk tussen partijen tot stand gekomen arbeidsovereenkomst, lopende tot 31 januari 2018, is verlengd. Volgens de Praktijk is een verlenging overeengekomen van minder dan zes maanden, namelijk tot en met 30 juli 2018, hetgeen wordt ondersteund door het door partijen ondertekende stuk. Werkneemster heeft haar standpunt dat de overeenkomst is verlengd voor de duur van zes maanden en dus tot en met 31 juli niet onderbouwd. De kantonrechter gaat er bij de verdere beoordeling van uit dat de arbeidsovereenkomst tot 30 juli 2018 is overeengekomen. Omdat werkneemster in dienst was op basis van een (opvolgende) arbeidsovereenkomst die is aangegaan voor een periode korter dan zes maanden, gold de aanzegverplichting niet en wordt de vordering tot betaling van de aanzegvergoeding afgewezen. Partijen verschillen voorts van mening over de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen na 30 juli 2018 is voortgezet. Werkneemster stelt dat haar is toegezegd dat haar arbeidsovereenkomst na 30 juli 2018 zou worden verlengd en dat haar ook al een schriftelijk contract zou zijn voorgelegd. De Praktijk heeft dit weersproken. Los van het verweer van De Praktijk kan uit de stellingen van werkneemster welllicht worden afgeleid dat haar een aanbod is gedaan tot verlenging van haar arbeidsovereenkomst, maar niet dat werkneemster dat aanbod voor haar vakantie heeft aanvaard. Uit het feit dat werkneemster toestemming is verleend om op vakantie te gaan van 1 t/m 19 augustus 2018 en dat haar een rooster is toegezonden waarop stond dat zij op 31 juli 2018 was ingeroosterd kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden afgeleid dat partijen de arbeidsovereenkomst na 30 juli 2018 feitelijk hebben voortgezet. De vorderingen van werkneemster worden afgewezen.