Naar boven ↑

Rechtspraak

Quick Multi Detachering B.V./werknemer
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 2 april 2019
ECLI:NL:GHARL:2019:3035

Quick Multi Detachering B.V./werknemer

Aangeboden getuigenbewijs in hoger beroep onvoldoende gespecificeerd. Voor het leveren van schriftelijk bewijs is geen opdracht van de rechter nodig. Werkgever had proces-verbaal zelf in het geding moeten brengen. Bewijsaanbod wordt gepasseerd.

Feiten

Werknemer is tussen 1 mei 2013 en 30 april 2015 in dienst geweest bij QMD dan wel bij haar zusterbedrijf Quick Multi Repair B.V. In eerste aanleg heeft de kantonrechter QMD onder meer veroordeeld tot betaling van het achterstallige salaris ter hoogte van € 34.825,32 bruto, waarbij het netto-equivalent van dit bedrag is verminderd met een bedrag van € 500 netto aan betaalde voorschotten. QMD komt op tegen dit oordeel. Volgens QMD heeft werknemer tijdens de comparitie in eerste aanleg gezegd dat hij gedurende zijn dienstverband iedere week in ieder geval € 50 heeft ontvangen. Werknemer ontkent dat echter in zijn antwoordakte uitlating bewijs en stelt dat het maximaal vijftien keer is geweest. Volgens QMD kan het proces-verbaal van de comparitie uitsluitsel geven. QMD biedt aan bewijs te leveren van haar stelling dat aan werknemer € 5.400 contant is betaald door het horen van getuigen en het overleggen van het proces-verbaal van de comparitie van partijen in eerste aanleg.

Oordeel

Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv heeft QMD de bewijslast van haar stelling dat zij € 5.400 aan werknemer heeft betaald. Het hof stelt voorop dat een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs moet worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert. In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet vermeldt op welke van haar stellingen dit bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zou kunnen afleggen, doch zal in het algemeen niet mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt vermeld wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard (HR 5 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1846). Het hof stelt vast dat de levering van (schriftelijk) bewijs door QMD het partijdebat in eerste aanleg heeft gedomineerd. QMD heeft de hoogte van de loonvordering van werknemer in essentie niet betwist, maar QMD heeft zich tegen de vordering verweerd met een beroep op diverse betalingen. Uit de akten die partijen na de comparitie in eerste aanleg hebben genomen en uit het bestreden vonnis blijkt dat QMD die betalingen onvoldoende heeft aangetoond, behoudens voor zover door werknemer erkend (zoals de contante betalingen waar het nu over gaat). Na de aktenwisseling wist QMD dat werknemer de ontvangst van meer dan vijftien maal € 50 betwist. QMD wist dus dat zij haar stelling dat zij in totaal € 5.400 contant heeft betaald, in hoger beroep behoorlijk diende te onderbouwen en eventueel te bewijzen. Tegen deze achtergrond is het aanbod om dit bewijs te leveren door het horen van getuigen zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onvoldoende concreet en te weinig specifiek. Het hof ziet in dit stadium van de procedure geen aanleiding om QMD in de gelegenheid te stellen het proces-verbaal van de comparitie van partijen alsnog over te leggen. QMD had dat uit eigen beweging moeten doen door dit stuk als productie in het geding te brengen. Voor het leveren van schriftelijk bewijs is immers geen opdracht van de rechter nodig (HR 19 maart 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2874). Het hof passeert het bewijsaanbod van QMD dan ook. Dat betekent dat niet is komen vast te staan dat QMD een bedrag van € 5.400 contant heeft betaald.