Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 15 april 2019
ECLI:NL:RBLIM:2019:3480
werkneemster/Advocatenpraktijk B.V.
Feiten
Werkneemster is sinds 23 augustus 1999 bij Advocatenpraktijk B.V. in dienst, laatstelijk in de functie van medewerker incasso- en faillissementspraktijk tegen een loon van € 2.666 bruto per maand exclusief vakantiebijslag en eindejaarsuitkering. Op 20 november 2018 heeft werkneemster zich ziek gemeld. In het terugkoppelingsadvies van de bedrijfsarts van 18 december 2018 staat onder meer vermeld dat er sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding en dat er geen sprake is van ziekte waardoor werkneemster niet kan werken. Op 20 december 2018 heeft Advocatenpraktijk een e-mailbericht aan werkneemster verzonden waarin gerefereerd wordt aan een in augustus 2018 tussen partijen overeengekomen beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 31 december 2018. Bij e-mailbericht van 31 december 2018 heeft Advocatenpraktijk bevestigd dat in haar optiek een einde is gekomen aan de arbeidsovereenkomst. Werkneemster heeft geprotesteerd tegen de opzegging van de arbeidsovereenkomst. Werkneemster heeft een deskundigenoordeel bij het UWV aangevraagd over haar arbeids(on)geschiktheid en het UWV heeft geoordeeld dat werkneemster arbeidsongeschikt is sinds 20 november 2018 tot en met heden. Bij beschikking van 20 februari 2019 heeft de kantonrechter in een eerder geding tussen partijen geoordeeld dat van een opzegging van de arbeidsovereenkomst door Advocatenpraktijk niet is gebleken. Advocatenpraktijk heeft het loon c.a. vanaf januari 2019 niet meer betaald. Werkneemster vordert in kort geding onder meer betaling van het (achterstallig) loon vanaf 1 januari 2019 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd.
Oordeel
Vast staat dat werkneemster per 1 januari 2019 geen werkzaamheden meer heeft verricht. In beginsel bestaat dan ook geen recht op doorbetaling van loon. Hoewel werkneemster als grondslag voor de loondoorbetalingsvordering slechts artikel 7:629 BW heeft aangevoerd, zal de kantonrechter de zaak mede beoordelen op basis van artikel 7:628 BW. Voor een doorbetaling van loon wegens ziekte op grond van artikel 7:629 BW bestaat geen grond, aangezien werkneemster gelet op het oordeel van de verzekeringsarts niet arbeidsongeschikt wegens ziekte kan worden geacht. Het deskundigenoordeel kan immers redelijkerwijs niet anders worden uitgelegd dan dat er sprake is van arbeidsgerelateerde arbeidsongeschiktheid en dat werkneemster per 20 november 2018 niet geschikt is te achten voor haar eigen werk, een situatie die ook wel wordt aangeduid als situatieve arbeidsongeschiktheid. Bij de beoordeling van de vordering tot betaling van (achterstallig) loon aan de hand van artikel 7:628 BW geldt het vereiste van het overleggen van een deskundigenverklaring ex artikel 7:629a lid 1 BW niet. In het geval van situatieve arbeidsongeschiktheid is de vraag aan de orde in hoeverre werkneemster haar werkzaamheden niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de Advocatenpraktijk behoort te komen. Of de oorzaak van het niet verrichten van arbeid in redelijkheid voor rekening van Advocatenpraktijk moet komen, is binnen het bestek van dit kort geding echter niet vast te stellen. Wat er precies is voorgevallen, is onderwerp van dit geschil. Van de zijde van werkneemster wordt gesteld dat zij al langere tijd tegen een overspannenheid aanliep vanwege een door haar ervaren hoge werkdruk. Advocatenpraktijk heeft in dit verband gesteld dat het probleem met name is gelegen in de knelpunten die collega’s ervaren in de samenwerking met werkneemster. In het kader van dit geding valt uit de thans over en weer geponeerde stellingen niet op voorhand vast te stellen wie het gelijk aan zijn zijde heeft. De standpunten van partijen staan daarvoor te veel tegenover elkaar. Een nader feitenonderzoek en/of nadere bewijslevering moet uitkomst bieden, maar daar leent deze procedure zich niet voor. Ditzelfde geldt voor de discussie of werkneemster alle medewerking heeft verleend aan inspanningen die erop zijn gericht de oorzaken van haar verhindering om haar werk te hervatten weg te nemen. Gelet hierop is niet met voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat de vordering van werkneemster in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopen daarop door toewijzing reeds nu gerechtvaardigd is. De kantonrechter zal om die reden de gevraagde voorlopige voorziening ter zake van de loondoorbetaling vanaf 1 januari 2019 weigeren.