Naar boven ↑

Rechtspraak

ABN AMRO Bank N.V./werkneemster
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 25 april 2019
ECLI:NL:RBROT:2019:3298

ABN AMRO Bank N.V./werkneemster

Werkneemster van ABN AMRO bank is gedetacheerd bij een dochtermaatschappij. Na beëindiging detachering heeft werkneemster geen andere passende functie kunnen vinden bij ABN AMRO. Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de h-grond wordt afgewezen. Er is sprake van de a-grond.

Feiten

Werkneemster is op 18 november 1986 in dienst getreden bij een rechtsvoorganger van ABN AMRO bank N.V. (hierna: ABN AMRO). In 2010 is werkneemster toegetreden tot de zogeheten Management Group. ABN AMRO kent een bedrijfs-cao, waar leden van de Management Group niet onder vallen. In juni 2014 is de functie die werkneemster toen bekleedde, als gevolg van een reorganisatie komen te vervallen. Per 1 juli 2014 heeft werkneemster de door ABN AMRO aangeboden functie bij de toen nieuwe afdeling Commercial Cliënts van ABN AMRO geaccepteerd. Deze functie viel wel onder de genoemde bedrijfs-cao en was ingeschaald in de hoogste salarisschaal, schaal 15. Vervolgens is werkneemster per 1 december 2014 aangesteld bij een dochtervennootschap van ABN AMRO, ABN AMRO Lease N.V. (hierna: AAL). Omdat het salaris van werkneemster niet binnen het salarishuis van AAL viel, is werkneemster vanuit ABN AMRO gedetacheerd bij AAL. In mei 2017 werd bekendgemaakt dat AAL zou gaan fuseren met ABN AMRO Commercial Finance (hierna: ACF) en dat beide vennootschappen zouden opgaan in een nieuw op te richten vennootschap: ABN AMRO Asset Based Finance (hierna: ABF). Aan werkneemster is vervolgens op 7 juli 2017 medegedeeld dat zij, vanwege het feit dat zij vanuit ABN AMRO gedetacheerd was, niet zou worden meegenomen in deze reorganisatie en dat de detachering zou worden beëindigd. Op 29 juni 2018 heeft ABN AMRO aan werkneemster een beëindigingsvoorstel gedaan waarbij aan haar de in haar arbeidsovereenkomst opgenomen contractuele beëindigingsvergoeding ad € 245.799 (bruto) is aangeboden. Werkneemster heeft dit voorstel niet geaccepteerd. Sinds 1 januari 2018 heeft werkneemster geen werkzaamheden voor AAL of voor ABN AMRO meer verricht. ABN AMRO heeft verzocht de arbeidsovereenkomst met werkneemster te ontbinden op de h-grond. ABN AMRO heeft aan haar verzoek – kort gezegd – ten grondslag gelegd dat de arbeidsovereenkomst na het eindigen van de detachering bij AAL inhoudsloos is geworden. Werkneemster heeft verzocht het verzoek van ABN AMRO af te wijzen, nu van een voldragen grond voor ontbinding geen sprake is. Zij is van mening dat dat de aan het verzoek ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden behoren tot het domein van de a-grond, zodat van ontbinding op de h-grond geen sprake kan zijn.

Oordeel

Het staat vast dat werkneemster formeel een arbeidsovereenkomst heeft met ABN AMRO en dat zij sinds het eindigen van de detacheringswerkzaamheden bij AAL op 1 januari 2018 geen functie meer bekleedt. Ondanks diverse inspanningen, is het werkneemster tot op heden niet gelukt om binnen het ABN AMRO concern een nieuwe functie te vinden. Zij heeft er geen vertrouwen meer in dat zij binnen het concern van ABN AMRO ooit nog in een passende functie zal worden geplaatst. In zoverre kan ABN AMRO gevolgd worden in haar standpunt dat sprake is van een – op dit moment – inhoudsloze arbeidsovereenkomst. De enkele vaststelling dat de arbeidsovereenkomst op dit moment een lege huls is, is echter niet voldoende om deze op grond van artikel 7:669 lid 3 sub h BW te ontbinden. De omstandigheden die hebben geleid tot het inhoudsloos worden van de arbeidsovereenkomst moeten voldoende verschillen van de in artikel 7:669 lid 3 onder a (tot met g) BW genoemde omstandigheden. ABN AMRO heeft een parallel getrokken tussen de onderhavige casus en de casus die speelde in de beschikking van de Hoge Raad van 18 januari 2019 (ECLI:NL:HR:2019:64, hierna: de Shell-zaak). De Shell-zaak betreft een situatie die niet te vergelijken is met de situatie van werkneemster. Werkneemster werd, nadat zij bijna 30 jaar in verschillende functies voor ABN AMRO had gewerkt, gedetacheerd bij AAL. In de detacheringsovereenkomst is opgenomen dat zowel AAL als ABN AMRO de detacheringsovereenkomst met een opzegtermijn van twee maanden kon beëindigen waarna werkneemster weer terug zou keren naar ABN AMRO. In de onderhavige zaak is sprake van het verval van arbeidsplaatsen, zowel bij AAL als bij ABN AMRO zelf. ABN AMRO kan zich in alle redelijkheid niet enerzijds op het standpunt stellen dat AAL terecht geen rekening heeft gehouden met werkneemster omdat zij gedetacheerd was, en anderzijds op het standpunt dat ABN AMRO zelf geen rekening met werkneemster hoefde te houden omdat zij bij AAL gedetacheerd was. De conclusie uit het voorgaande is dat het feit dat werkneemster op dit moment geen functie heeft binnen ABN AMRO, in overwegende mate het gevolg is van bedrijfseconomische omstandigheden bij AAL en bij ABN AMRO zelf. Dat betekent dat geen sprake is van omstandigheden die voldoende afwijken van de in artikel 7:669 lid 3 sub a BW genoemde omstandigheden en dat het verzoek om de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:669 lid 3 onder h BW dient te worden afgewezen.