Naar boven ↑

Rechtspraak

Achmea Interne Diensten N.V./werknemer
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 30 april 2019
ECLI:NL:GHDHA:2019:947

Achmea Interne Diensten N.V./werknemer

Ontbindingsverzoek Achmea wegens disfunctioneren dan wel een verstoorde arbeidsverhouding afgewezen. Dossier bevat veel negatieve kwalificaties met betrekking tot werknemer, maar een deugdelijke onderbouwing ontbreekt veelal. Verder opzegverbod wegens lidmaatschap ondernemingsraad.

Feiten

Werknemer is per 17 april 2001 via een uitzendbureau voor Achmea Interne Diensten N.V. (‘Achmea’) gaan werken. Per 1 augustus 2004 is werknemer in vaste dienst van Achmea getreden, laatstelijk in de functie ‘medewerker klantrelatie & omgeving’ (hierna: zorgcoach). Werknemer is tevens lid van de ondernemingsraad. In januari 2017 is de heer X aangetreden als teamleider. Direct na de start van zijn werkzaamheden is X gesprekken aangegaan met werknemer over diens functioneren. Op 29 mei 2017 ondertekenden werknemer en X een door X opgesteld verbeterplan, waarin is aangegeven dat dit een looptijd heeft van zes maanden en uiterlijk op 29 november 2017 eindigt. Op 13 november 2017 is een eindevaluatie opgemaakt, waarin onder meer is gesteld dat er in de periode van het verbetertraject nagenoeg geen verbeteringen zichtbaar zijn. Bij het inleidend verzoekschrift heeft Achmea de kantonrechter verzocht de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst zo spoedig mogelijk te ontbinden, primair wegens op de d-grond, subsidiair op de g-grond en meer subsidiair op h-grond. De kantonrechter heeft het ontbindingsverzoek afgewezen. Tegen dit oordeel keert Achmea zich in hoger beroep.

Oordeel

Achmea heeft niet aangetoond dat werknemer de in het verbeterplan gestelde doelen niet heeft gehaald, al was het maar omdat het verbeterplan vrijwel geen (objectief) meetbare normen bevat. Het verbeterplan (en het dossier) bevat wel vele negatieve kwalificaties ten aanzien van de houding en werkzaamheden van werknemer, maar een deugdelijke onderbouwing met feiten die die kwalificaties rechtvaardigen ontbreekt veelal. Van een voldragen g-grond is ook geen sprake. Hoewel duidelijk is dat de onderlinge verhouding tussen X en werknemer ernstig is verstoord, vormt deze verstoring geen redelijke grond voor ontslag. Aangenomen moet worden dat de verstoring (in overwegende mate) is toe te rekenen aan X, die immers ten onrechte heeft aangestuurd op beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dat werknemer onder de gegeven omstandigheden niet meer onder vier ogen met X wenst te spreken, acht het hof niet onbegrijpelijk. Dat werknemer anderszins in relevante mate heeft bijgedragen aan de slechte onderlinge verhoudingen is door Achmea niet aannemelijk gemaakt. In tegenstelling tot X heeft werknemer zich bovendien over het onderhavige geschil niet uitgelaten tegenover zijn collega's. Dat de verhouding met zijn collega's desondanks zo verstoord is dat voortzetting van het dienstverband niet kan worden gevergd is door Achmea niet gesteld en overigens niet aannemelijk geworden. Van een h-grond kan onder deze omstandigheden evenmin sprake zijn. Het ontbreken van een voldragen ontslaggrond klemt temeer, omdat werknemer een beroep heeft gedaan op het ontslagverbod van artikel 7:670 lid 4 sub 1 BW. Tussen partijen staat als onbestreden vast dat werknemer lid is van de ondernemingsraad. Het hof dient zich er dus van te vergewissen dat het ontbindingsverzoek geen verband houdt met dat lidmaatschap. Het hof is van oordeel dat het – gelet op het OR-lidmaatschap van werknemer– op de weg van Achmea ligt om te stellen en zo nodig te bewijzen dat haar ontbindingsverzoek hiermee geen verband houdt. Achmea heeft dit niet, althans onvoldoende onderbouwd, gedaan. Duidelijk is immers dat de door werknemer aan de OR bestede tijd, een belangrijk onderdeel is van het verbeterplan. Dat werknemer structureel meer dan de hem toegestane 20 procent van zijn werktijd besteedt aan zijn OR-werk, heeft Achmea echter op geen enkele wijze onderbouwd. Dat dit verwijt terecht is, is dan ook niet komen vast te staan. Nu niet is komen vast te staan dat het ontbindingsverzoek geen verband houdt met het OR-werk van werknemer, zou het ontbindingsverzoek ook niet kunnen worden toegewezen vanwege het bestaan van een opzegverbod. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.