Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 12 april 2019
ECLI:NL:RBROT:2019:3360

werkneemster/werkgeefster

Het all-in loon van werkneemster is niet in strijd met artikel 7:639 lid 1 en 7:640 lid 1 BW en/of artikel 7 Richtlijn 93/104/EG. Aan het vereiste van transparantie en begrijpelijkheid is ook voldaan indien de arbeidsovereenkomst zelf voldoende duidelijkheid verschaft over de doorbetaling van loon tijdens vakantie als component van het all-in loon.

Feiten

Werkneemster is van 1 april 2008 tot 1 december 2017 als fysiotherapeut/manueel therapeut in dienst geweest van werkgeefster. Op de arbeidsovereenkomst is de cao voor de Vrijgevestigde Fysiotherapiepraktijk 2003 (hierna: de cao) van toepassing. In de door beide partijen ondertekende arbeidsovereenkomst is in artikel 7 bepaald dat werkneemster all-in loon geniet en dat de grondslag voor de berekening van het aan de werknemer toekomende salaris de door de werknemer in dienst van de werkgever verrichte behandelingen zijn met dien verstande dat de totale loonkosten voor de werkgever 63,7 procent bedragen van de door de werknemer zelf gerealiseerde omzet. Daarnaast is bepaald dat werkneemster het recht heeft op veertien vakantiedagen per jaar (art. 9). In de toepasselijke cao is in artikel 9 een opsomming gemaakt van welke componenten vallen onder de ‘totale loonkosten’. Werkneemster vordert werkgeefster te veroordelen tot betaling ter zake van het loon over de genoten vakantie- en verlofdagen in de periode van 13 september 2012 tot en met 30 november 2017. Werkneemster legt aan haar vordering ten grondslag dat de all-in loonafspraak niet voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie in zijn rechtspraak in het licht van het bepaalde in artikel 7 Richtlijn 93/104/EG van de Raad van 23 november 1993 (betreffende een aantal aspecten van de organisatie van arbeidstijd) (hierna: de richtlijn) heeft gesteld. De vereiste transparantie en duidelijkheid van de wijze waarop het loon c.s. is betaald ontbreekt volgens werkneemster.

Oordeel

De vraag die partijen verdeeld houdt, heeft betrekking op de beloning waarop werkneemster in de periode vanaf 13 september 2012 tot het einde van het dienstverband recht heeft verkregen. Beoordeeld moet worden of de afspraak over het all-in loon rechtsgeldig is, nu in dat loon ook de doorbetaling van loon tijdens vakantie is begrepen. Anders dan werkneemster kennelijk meent, hoeft de wijze waarop de doorbetaling van het loon tijdens vakantie in het all-in loon is opgenomen niet per se kenbaar te zijn uit de maandelijkse loonstroken, maar is aan het genoemde vereiste van transparantie en begrijpelijkheid ook voldaan indien de arbeidsovereenkomst zelf voldoende duidelijkheid verschaft over deze component van het all-in loon. Artikel 9 van de arbeidsovereenkomst van partijen geeft die verlangde duidelijkheid nu de jaarlijkse vakantieaanspraak daarin (als component van de in art. 7 eerste volzin jo. art. 9 lid 1 van de cao 2003 genoemde ‘totale loonkosten’) helder uiteen is gezet. Gelet op het voorgaande is de afspraak over het all-in loon niet in strijd met artikel 7:639 lid 1 en 7:640 lid 1 BW en/of artikel 7 van de richtlijn en dus rechtsgeldig. De vordering van werkneemster strekkende tot betaling van loon over opgebouwde vakantiedagen in de periode van 13 september 2012 tot einde dienstverband wordt derhalve afgewezen.