Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Milieu Werken Duin en Bollenstreek B.V.
Gerechtshof Den Haag (Locatie Den Haag), 4 juni 2019
ECLI:NL:GHDHA:2019:1356

werknemer/Milieu Werken Duin en Bollenstreek B.V.

Kort geding. Loonopschorting wegens niet voldoen aan re-integratieverplichtingen werknemer gelet op deskundigenoordeel UWV onterecht.

Feiten

Werknemer is op 1 september 2017 bij Milieu Werken Duin en Bollenstreek B.V (hierna: ‘MWDB’) in dienst getreden. Werknemer heeft zich op 20 augustus 2018 ziek gemeld. De re-integratie is niet tot stand gekomen. MWDB heeft per 8 oktober 2018 de loonbetaling aan werknemer stopgezet. Het UWV heeft in een deskundigenoordeel van 26 november 2018 (hierna: deskundigenoordeel I) geconcludeerd dat de door MWDB uitgevoerde re-integratie-inspanningen tot en met dat moment voldoende waren. Uit de in hoger beroep door werknemer overgelegde stukken blijkt dat het UWV in een deskundigenoordeel van 18 februari 2019 (hierna: deskundigenoordeel II) heeft geconcludeerd dat de re-integratie-inspanningen van werknemer tot 6 december 2018, de datum van het aanvragen van het deskundigenoordeel door MWDB, voldoende waren. Werknemer heeft in eerste aanleg vorderingen ingesteld tegen MWDB die ertoe strekken dat MWDB het loon doorbetaalt en aan haar re-integratieverplichtingen voldoet. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen met uitzondering van de vordering tot betaling van overuren. Tegen dit oordeel keert werknemer zich in hoger beroep.

Oordeel

Het hof volgt werknemer niet met betrekking tot zijn betoog dat het handelen van werkgever – onder meer door het plaatsen van een peilbaken onder zijn auto, onaangekondigde bezoeken aan zijn deur, het niet betalen van loon, het constant aan de orde stellen van zijn arbeidsongeschiktheid en het niet willen inschakelen van mediation – re-integratie in de weg heeft gestaan. Volgens werknemer zouden deze feiten zeker verschil hebben gemaakt bij de weging door het UWV of MWDB voldoende aan haar verplichtingen heeft voldaan. Uit het deskundigenoordeel I blijkt dat het UWV op 8 november 2018 telefonisch heeft gesproken met werknemer, en vervolgens nog persoonlijk tijdens het spreekuur op 22 november 2018. Werknemer heeft in die gesprekken alles kunnen zeggen wat hij relevant vond. In het rapport staat dat werknemer onder meer heeft aangevoerd dat MWDB hem stalkt, hem berichten stuurt en hem fotografeert en filmt. In dat licht is het hof van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat de door werknemer genoemde informatie, indien gemeld, destijds zou hebben geleid tot een ander oordeel van het UWV over de re-integratie-inspanningen van MWDB. Werknemer voert verder aan dat uit het deskundigenoordeel II van 18 februari 2019 blijkt dat het voorshandse oordeel van de kantonrechter geen stand kan houden. Het hof volgt werknemer daarin. In het deskundigenoordeel II is door het UWV geconcludeerd dat werknemer zich in elk geval tot aan de datum van het aanvragen van het deskundigenoordeel door MWDB, 6 december 2018, voldoende heeft ingespannen in het kader van zijn re-integratie. Het hof is echter van oordeel dat dat nog niet leidt tot toewijzing van de vordering tot het nakomen door MWDB van haar verplichtingen tot re-integratie. Dat werknemer zich voldoende heeft ingespannen in het kader van zijn re-integratie, brengt nog niet mee dat MWDB dit niet in voldoende mate heeft gedaan. Voor toewijzing van de vordering welke ertoe strekt dat MWDB haar re-integratieverplichtingen nakomt, acht het hof daarom op dit moment onvoldoende grond. Indien werknemer van mening is dat MWDB op dit (of op enig later) moment tekortschiet in haar re-integratie-verplichtingen, kan hij een nieuw deskundigenoordeel vragen aan het UWV. Werknemer keert zich verder tegen de afwijzing door de kantonrechter van de loonvordering. Het hof volgt werknemer daarin. Uit het deskundigenoordeel II blijkt dat werknemer niet is tekortgeschoten in zijn re-integratie-verplichtingen. Hieruit vloeit voort dat MWDB ten onrechte zijn loon heeft opgeschort per 8 oktober 2018. De loonvordering van werknemer is derhalve toewijsbaar. Het hof ziet, anders dan de kantonrechter, geen reden om de door werknemer gevorderde wettelijke verhoging van 50% te matigen. De vorderingen van werknemer zijn grotendeels toewijsbaar. Het bestreden vonnis kan niet in stand blijven en zal voor het overgrote deel worden vernietigd.