Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Haarlem), 7 augustus 2019
ECLI:NL:RBNHO:2019:7043
Stichting Naleving Cao voor Uitzendkrachten/Werkgever c.s.
Feiten
Werkgever, met werknemer als bestuurder, stelt met enige regelmaat arbeidskrachten, die bij hem in dienst zijn, te werk bij derden in Nederland. In het kader van haar taak heeft SNCU na beoordeling van eerder door werknemer aangeleverde stukken het onderzoeksbureau Providius opgedragen onderzoek te doen naar de naleving van de Cao voor Uitzendkrachten door werknemer in de periode van 17 september 2013 tot en met 31 december 2014. De uitkomst van dit onderzoek is vermeld in een conceptrapportage waarin een aantal afwijkingen werd geconstateerd, waarna de definitieve rapportage van Providius van 8 februari 2016 uitkwam op een totale indicatieve materiële schadelast van € 247.659. Werkgever is door SNCU nog eenmaal in de gelegenheid gesteld tot nabetaling van voornoemd bedrag van € 247.659. Tevens is aangezegd dat een schadevergoeding van € 60.493 aan werkgever wordt opgelegd indien hij blijft weigeren de vastgestelde afwijkingen (volledig) te herstellen. Werkgever heeft aan deze ingebrekestelling geen gevolg gegeven. SNCU vordert primair veroordeling van werkgever tot naleving van de Cao voor Uitzendkrachten en de Cao Sociaal Fonds voor de Uitzendbranche.
Oordeel
Waar het nu in dit geding bij de beoordeling op aankomt, is dat werkgever in ieder geval terecht benadrukt dat het, anders dan SNCU meent, niet aan hem is te bewijzen dat in het onderhavige geval geen sprake is geweest van uitzendovereenkomsten in de zin van artikel 7:690 BW, maar dat de bewijslast op SNCU als eisende partij rust om aan te tonen dat dat wél het geval is geweest. SNCU had dan ook dienen te bewijzen dat de door de werknemers van werkgever verrichte arbeid ook daadwerkelijk is verricht onder leiding en toezicht van de klant/inlener (en dus niet op instructie van de teamleiders van werkgever op locatie). Naar het oordeel van de kantonrechter is SNCU in dat bewijs niet geslaagd. Waar SNCU aan werkgever het verwijt maakt bij zijn verweer te blijven hangen in zeer algemene stellingen, kan bezwaarlijk worden gezegd dat SNCU ter staving van haar standpunten met specifieke, aan het onderhavige geval ontleende aanwijzingen is gekomen. Werkgever heeft met producties nog voorbeelden en verklaringen omtrent de gezagsverhoudingen overgelegd en daarnaast beschrijvingen van het wervings- en plaatsingsproces en van het toezicht op de werkzaamheden van de arbeidskrachten op locatie gegeven. SNCU heeft in feite niet meer gedaan dan aan de hand van een aantal door haar genoemde uitspraken betogen dat daaruit kan worden afgeleid dat de inlener in beginsel een instructiebevoegdheid toekomt, die ook via de teamleiders kan worden uitgeoefend. Daarmee is echter niet zonder meer gegeven dat óók in het onderhavige geval de relevante werkzaamheden werden verricht onder toezicht en leiding van de inlener en niet onder leiding en toezicht van de teamleiders van werkgever. Waar aldus niet kan worden aangenomen dat werkgever met zijn werknemers uitzendovereenkomsten in de zin van artikel 7:690 BW heeft gesloten en dan ook niet van de toepasselijkheid van de cao’s op bedoelde rechtsverhoudingen kan worden uitgegaan, strandt het gevorderde in al zijn onderdelen op het toezichtverweer van werkgever. Ook het lot van het eerst bij repliek door SNCU aangedragen Waadi-betoog hangt immers samen met de toepasselijkheid van de cao’s waarvan dus niet is gebleken, nog daargelaten dat voorgaande slotsom (geen bewijs van uitzendovereenkomsten als bedoeld in art. 7:690 BW) ook reeds meebrengt dat de Waadi in dit geval toepassing mist. De vorderingen van SNCU worden afgewezen.