Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 25 september 2019
ECLI:NL:RBROT:2019:7712
werknemer/werkgever
Feiten
Werknemer is met ingang van 18 januari 2010 bij werkgever in dienst getreden in de functie van zorgcoördinator. In oktober 2016 hebben partijen werkafspraken gemaakt in het kader van het functioneren van werknemer waarbij onder meer de afspraak is opgenomen dat werknemer geacht wordt om tijdens werktijd geen werkzaamheden te verrichten die niets met werkgever te maken hebben, waaronder expliciet zaken die te maken hebben met zijn internetshop (hierna: X). Bij brief van 7 maart 2019 is in het kader van het outplacementtraject aan werkgever onder meer bericht dat werknemer zelfstandig solliciteert en dat hij daarnaast deels voor zichzelf wil gaan werken en dat hij in redelijkheid een vaststellingsovereenkomst wil voorstellen. Partijen hebben op 17 april 2019 een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin werknemer in artikel 2c heeft verklaard geen uitzicht te hebben op een dienstverband of een positie elders. Bij overtreding daarvan dient werknemer de beëindigingsvergoeding terug te betalen. Werkgever bericht werknemer op 16 juli 2019 dat hij de beëindigingsvergoeding niet zal uitbetalen. Werkgever legt daaraan ten grondslag dat werknemer sinds 2016 mede-eigenaar was van X en daar actief was en dus wel uitzicht had op een positie elders. Werknemer vordert werkgever te veroordelen tot betaling van de beëindigingsvergoeding van € 15.000.
Oordeel
In het licht van de werkafspraken die werkgever en werknemer in oktober 2016 hebben gemaakt en mede gelet op de verklaring ter zitting van de gemachtigde van werkgever dat werkgever wist van de handel in auto’s bij X maar dacht dat het puur een hobby was en gelet op de mededeling in de brief van 7 maart 2019 aan werkgever dat werknemer zelfstandig solliciteert en deels voor zichzelf wil gaan werken, is voldoende aannemelijk dat werkgever ten tijde van het aangaan van de vaststellingsovereenkomst bekend was met de activiteiten van werknemer bij X. Daarbij komt dat werknemer ter zitting onweersproken heeft gesteld dat tijdens het outplacementtraject juist gesproken is over het uitbreiden van de activiteiten van X en dat hem ook cursussen zijn aangeboden voor uitbreiding van die activiteiten. De positie die werknemer ten tijde van het aangaan van de vaststellingsovereenkomst bij X had en thans nog heeft, kan daarom naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet aan werknemer worden tegengeworpen als zijnde een vooruitzicht op een dienstverband of positie elders. Dat werknemer heeft besloten de activiteiten uit te breiden, heeft evenmin tot gevolg dat moet worden geoordeeld dat sprake was van een vooruitzicht op een dienstverband of een dienstbetrekking elders, zeker niet nu niet gesteld of gebleken is dat werknemer daarmee veel geld verdient en bovendien aan werknemer een WW-uitkering is toegekend. Bij het opstellen van een vaststellingsovereenkomst is het vanzelfsprekend dat de werknemer op zoek gaat naar een nieuwe dienstbetrekking. Het kan echter niet zo zijn dat naast het vinden van een nieuwe dienstbetrekking een werknemer niets zou mogen ondernemen om in zijn inkomen te voorzien naast een WW-uitkering en ter vervanging van die uitkering. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat werknemer bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst geen vooruitzicht had op een dienstbetrekking of positie elders en is het voldoende aannemelijk dat werkgever in een bodemprocedure zal worden veroordeeld tot betaling van de overeengekomen vergoeding van € 15.000. De vordering tot betaling van € 15.000 zal daarom worden toegewezen.