Rechtspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant (Locatie Bergen op Zoom), 13 december 2018
ECLI:NL:RBZWB:2018:7341
Graphic Packaging International Europe Cartons B.V./werknemer
Feiten
Werkneemster is sinds 19 december 1983 bij GPI in dienst. In haar functie diende zij aanvankelijk te rapporteren aan de supply chain manager en vanaf 1 augustus 2017 aan de logistiek manager.
Op 17 november 2017 heeft werkneemster van GPI een schriftelijke waarschuwing gehad, omdat gemaakte afspraken over – het tijdpad van het houden van – beoordelingsgesprekken met medewerkers en de inlevering van beoordelingsformulieren door haar niet zouden zijn nagekomen.
GPI heeft het verval van de functie van werkneemster aangekondigd. Op 2 februari 2018 heeft GPI vervolgens voor werkneemster bij het UWV een ontslagvergunning aangevraagd wegens bedrijfseconomische redenen. Bij besluit van 13 april 2018 heeft het UWV geweigerd aan GPI toestemming te geven voor opzegging van de arbeidsovereenkomst. Na de ontslagaanvraag bij het UWV is werkneemster arbeidsongeschikt uitgevallen. Op 24 april 2018 heeft de bedrijfsarts GPI bericht dat werkneemster weer in staat werd geacht te re-integreren in aangepast werk met afgebakende taken in een rustige omgeving, zonder grote werkdruk of tempodruk. De periode die daarop is gevolgd stond in het teken van de re-integratie en pogingen om uit de, wegens verschil van inzicht over dat einddoel, ontstane impasse te raken. Dat is niet gelukt. Een in juli 2018 door GPI opgestart mediationtraject heeft evenmin tot een structurele oplossing geleid. Per 1 augustus 2018 was werkneemster volledig hersteld. GPI verzoekt de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens een verstoorde arbeidsverhouding.
Oordeel
GPI heeft onvoldoende duidelijk kunnen maken waaruit de door haar aan het verzoek ten grondslag gelegde verstoring van de arbeidsrelatie precies bestaat. GPI lijkt werkneemster in hoofdzaak te verwijten dat zij weigert te accepteren dat haar eigen functie er niet meer is. GPI heeft kunnen en moeten begrijpen dat haar besluit om de functie van werkneemster te laten vervallen, bij werkneemster vragen zou oproepen, zeker nu werkgeefster kort daarvoor een nieuwe functie (van logistiek manager) had gecreëerd en ingevuld én aan het besluit een formele, schriftelijke waarschuwing aan werkneemster voorafging, die een omissie in haar functioneren aan de kaak stelde. Dat zij vervolgens over het gestelde verval van de functie vragen is gaan stellen en deze, bij het ontbreken van een objectieve vaststelling daarvan, is blijven stellen, is niet onbegrijpelijk. Een ernstige, onherstelbare verstoring van de arbeidsrelatie kan hier niet uit worden afgeleid. Van een – goed – werkgever mag worden verlangd dat hij daar professioneel mee omgaat. Kennelijk was begin 2018 de gestelde verstoorde arbeidsverhouding met werkneemster (nog) niet het meest op de voorgrond tredende probleem. GPI heeft immers op 2 februari 2018 een ontslagaanvraag ingediend bij het UWV op grond van bedrijfseconomische redenen, en geen verzoek op de g-grond bij de kantonrechter. Waaruit de gestelde ernstige verstoring dan zou bestaan is onvoldoende geconcretiseerd. Niet voldoende is gebleken dat er geen manier gevonden kan worden om de samenwerking voort te zetten. Dat het door GPI eerder ingezette mediationtraject is mislukt maakt dat niet anders. Geenszins kan worden uitgesloten dat GPI (ook) daarbij het verval van de functie van werkneemster tot uitgangspunt is blijven nemen, terwijl dit verval tot op heden niet objectief is vastgesteld. GPI lijkt de arbeidsovereenkomst daarmee zelf onder druk te zetten. Concluderend is er onvoldoende grond en rechtvaardiging voor het oordeel dat de arbeidsverhouding tussen GPI en werkneemster zodanig is verstoord, dat van GPI in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.