Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 23 oktober 2019
ECLI:NL:RBNHO:2019:8910
werknemer/Sport 2 Move
Feiten
Werknemer is op 1 mei 2019 in dienst getreden bij Sport 2 Move als fitnesscoördinator op basis van een contract voor bepaalde tijd voor de duur van twaalf maanden. In de arbeidsovereenkomst is een proeftijd van één maand overeengekomen. Bij brief van 31 mei 2019 heeft Sport 2 Move werknemer aangegeven de arbeidsovereenkomst per 1 juni 2019 in de overeengekomen proeftijd te beëindigen. Partijen zijn vervolgens met ingang van 1 juni 2019 een nieuwe arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van twaalf maanden overeengekomen, waarin eveneens een proeftijd van één maand was opgenomen. Bij e-mail van 30 juni 2019 heeft Sport 2 Move ook de tweede arbeidsovereenkomst met een beroep op het proeftijdbeding beëindigd. Werknemer verzoekt een verklaring voor recht dat het proeftijdbeding in de tweede arbeidsovereenkomst nietig is. Daarnaast verzoekt hij een schadevergoeding vanwege de onregelmatige opzegging van Sport 2 Move.
Oordeel
Sport 2 Move is niet ter zitting verschenen. De kantonrechter oordeelt over de vraag of sprake is van een rechtsgeldige opzegging. Deze vraag beantwoordt de kantonrechter ontkennend. Een proeftijdbeding is nietig indien het beding is opgenomen in een opvolgende arbeidsovereenkomst tussen werknemer en dezelfde werkgever. Naar het oordeel van de kantonrechter betreft de tweede arbeidsovereenkomst een dergelijke opvolgende arbeidsovereenkomst, omdat – in vergelijking met de eerste arbeidsovereenkomst – geen duidelijke andere vaardigheden of verantwoordelijkheden werden verlangd. Daarom komt de kantonrechter tot het oordeel dat het proeftijdbeding nietig is; de opzegging met een beroep op dat beding is daarmee niet rechtsgeldig. De gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging ex artikel 7:672 lid 10 BW wordt toegewezen.