Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 29 oktober 2019
ECLI:NL:RBLIM:2019:9778
werknemer/Eerlijkmetrecht B.V.
Feiten
Werknemer is met ingang van 1 augustus 2018 in dienst getreden bij Eerlijkmetrecht B.V. op grond van een arbeidsovereenkomst voor de bepaalde tijd van één jaar. Het overeengekomen loon bedraagt € 4.000 bruto per maand. In juni 2019 heeft de leidinggevende van werknemer aan werknemer medegedeeld de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 augustus 2019 voor een half jaar te willen voortzetten. Werknemer heeft daarop aangegeven dat het tekenen van een contract voor bepaalde tijd ingaat tegen zijn gevoel en dat hij met de overige voorwaarden akkoord kan gaan. Bij brief van 19 juli 2019 heeft de leidinggevende aan werknemer laten weten dat Eerlijkmetrecht heeft besloten het voorstel tot verlenging van de arbeidsovereenkomst in te trekken en dat dit betekent dat de arbeidsovereenkomst afloopt op 1 augustus 2019. Werknemer heeft vervolgens aanspraak gemaakt op de aanzegvergoeding. Eerlijkmetrecht weigert deze vergoeding te betalen. Zij stelt zich op het standpunt dat werknemer haar aanbod tot verlenging van de arbeidsovereenkomst heeft afgewezen. Werknemer verzoekt thans veroordeling van Eerlijkmetrecht om aan hem de aanzegvergoeding te betalen.
Oordeel
Vast staat dat Eerlijkmetrecht eerst bij brief van 19 juli 2019 aan werknemer heeft medegedeeld dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden voortgezet per 1 augustus 2019. Eerlijkmetrecht heeft dus niet tijdig het einde van de arbeidsovereenkomst aangezegd. Zij had op 30 juni 2019 het einde moeten aanzeggen. Over de periode dat zij te laat is geweest met de aanzegging, van 1 juli 2019 tot en met 19 juli 2019, heeft werknemer recht op een vergoeding gelijk aan het loon over die periode. Dit alles volgt uit artikel 7:668 lid 1 en lid 3 BW. Anders dan Eerlijkmetrecht buiten rechte heeft aangevoerd is niet gebleken dat werknemer het aanbod tot verlenging categorisch afgewezen heeft. Partijen waren nog in onderhandeling en ook dan is een werkgever verplicht tijdig aan te zeggen. Op grond van de toelichting bij artikel 2 van het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding van 11 december 2014 dient bij de berekening van de aanzegvergoeding te worden uitgegaan van de kalenderdagen in de laatste maand voor het einde van de arbeidsovereenkomst en van het aantal kalenderdagen dat de werkgever te laat is geweest met de aanzegging. De berekeningsmethode die werknemer hanteert, gaat ten onrechte uit van het aantal werkdagen in de maand dat Eerlijkmetrecht te laat is geweest met de aanzegging. De vergoeding die zal worden toegewezen bedraagt derhalve € 2.451,61 bruto (19/31 x € 4.000). Eerlijkmetrecht wordt voorts veroordeeld aan werknemer een deugdelijke netto/brutospecificatie te verstrekken van de aanzegvergoeding, op straffe van een dwangsom van € 100 per dag dat zij daarmee in gebreke blijft, tot een maximumbedrag van € 5.000.