Naar boven ↑

Rechtspraak

werkneemster/werkgeefster
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 15 november 2019
ECLI:NL:RBROT:2019:8952

werkneemster/werkgeefster

Onterecht gegeven ontslag op staande voet. Opzegging was niet onverwijld. Billijke vergoeding ter hoogte van € 2.500 toegewezen.

Feiten

Werkneemster is op 4 juni 2018 in dienst getreden bij werkgeefster. Per 11 februari 2019 is het contract omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op 25 juli 2019 is werkneemster op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief is hiervoor als reden opgegeven dat zij onjuiste informatie heeft verstrekt ten aanzien van behaalde diploma’s. Werkneemster verzoekt een verklaring voor recht dat het ontslag op staande voet geen stand houdt en een billijke vergoeding.

Oordeel

Allereerst beoordeelt de kantonrechter de onverwijldheid van de opzegging. Werkneemster heeft in dat kader toegelicht dat werkgeefster al eerder dan 25 juli 2019 ervan op de hoogte was dat zij niet over het overkoepelende diploma verzorgende IG niveau 3 beschikte, ondanks het feit dat dit wel in haar CV is opgenomen. Al bij het sollicitatieproces heeft werkneemster enkel certificaten en geen diploma’s overgelegd. Gelet op deze toelichting van werkneemster had het op de weg van werkgeefster gelegen om te onderbouwen dat zij hier niet eerder dan op/of vlak voor 25 juli 2019 van op de hoogte was. Dit heeft werkgeefster onvoldoende gedaan. Uit communicatie blijkt dat werkgeefster inderdaad al eerder op de hoogte heeft moeten zijn van het ontbreken van de vereiste diploma’s. Om die reden is geen sprake van een onverwijld gegeven ontslag op staande voet, waaruit volgt dat de opzegging niet rechtsgeldig is. De vraag of sprake is van een dringende reden hoeft daarom niet meer te worden beantwoord. Nu is opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW vanwege het ontbreken van een onverwijlde mededeling van het ontslag op staande voet, heeft werkneemster op grond van artikel 7:681 lid 1 sub a BW recht op een billijke vergoeding. Door het ten onrechte gegeven ontslag op staande voet is de ernstige verwijtbaarheid immers een gegeven. De kantonrechter veroordeelt werkgeefster om aan werkneemster een billijke vergoeding te betalen van € 2.500 bruto, ongeveer een maand salaris inclusief emolumenten. Daarbij weegt de kantonrechter mee dat werkneemster nog niet lang in dienst was bij werkgeefster en dat het gelet op de krapte op de arbeidsmarkt in de zorg niet de verwachting is dat werkneemster langer dan een maand thuis zal zitten. Dat werkneemster binnenkort een operatie zal moeten gaan met een hersteltermijn van een aantal weken is geen omstandigheid die voor rekening van werkgeefster moet komen. Daarnaast weegt de kantonrechter ook mee dat het niet de verwachting is dat werkneemster, als zij niet op staande voet was ontslagen, nog lang bij werkgeefster had gewerkt, want zij heeft immers misstanden aan de kaak gesteld bij werkgeefster. Onvoldoende is vast komen te staan dat dit aankaarten van misstanden de reden van het ontslag op staande voet was, zodat daar in de billijke vergoeding geen rekening mee kan worden gehouden.