Naar boven ↑

Rechtspraak

Papyrus Groep Nederland B.V./werknemer
Hoge Raad, 22 november 2019
ECLI:NL:HR:2019:1831

Papyrus Groep Nederland B.V./werknemer

Reikwijdte zorgplicht artikel 7:658 BW. Werkgever heeft zorgplicht niet zonder meer nageleefd als geen overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet is vastgesteld. Op het concrete risico toegesneden regels vereist, waaraan werkgever bij herhaling aandacht dient te schenken. Artikel 81 Wet RO.

Feiten

Werknemer is sinds 1 december 2001 als magazijnmedewerker in dienst van Papyrus Groep Nederland B.V. (hierna: Papyrus). Op 15 april 2010 is werknemer tijdens het uitvoeren van zijn werkzaamheden in het magazijn een ongeval overkomen. Terwijl hij een elektrische pompwagen bestuurde, is hij in zijn voet geraakt door een vork van een orderpicktruck die werd bestuurd door zijn collega, met ernstig letsel aan zijn rechtervoet en amputatie van twee tenen tot gevolg. De Arbeidsinspectie heeft in een ongevalsrapport van 1 juni 2010 geconstateerd dat Papyrus haar zorgplicht heeft nageleefd. In de onderhavige procedure staat ter discussie of Papyrus op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het aan werknemer overkomen bedrijfsongeval. De kantonrechter heeft de vordering van werknemer afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de kantonechter vernietigd en voor recht verklaard dat Papyrus aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW, omdat zij de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden. Het hof heeft daarbij onder meer het volgende overwogen: ‘Omdat de vorken van een orderpicktruck hoger kunnen reiken dan het plateau waarop de medewerker staat die de pompwagen bestuurt, terwijl deze daarbij - door bijvoorbeeld een kooiconstructie - niet beschermd is, en omdat de vorken door de pallet heen kunnen uitsteken, bestaat het reële (veiligheids)risico dat het lichaam van de bestuurder van de pompwagen in aanraking komt met (de vorken van) de orderpicktruck, met een kans op aanmerkelijk letsel. Gelet op dit risico had Papyrus veiligheidsmaatregelen dienen te treffen die dit risico op het hoge veiligheidsniveau dat artikel 7:658 BW vergt (zie 5.3) beperkt, waarbij zij er ook nadrukkelijk rekening mee had móeten houden dat werknemers weleens nalaten de voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkoming van ongelukken geraden is.’ Papyrus komt in cassatie – kort gezegd – op tegen het oordeel van het hof dat zij haar zorgplicht niet is nagekomen.

Conclusie A-G Drijber

Zorgplicht ex artikel 7:658 BW

De klacht van Papyrus dat de omstandigheid dat de Arbeidsinspectie geen overtreding heeft vastgesteld, betekent dat de werkgever zijn zorgplicht ex artikel 7:658 BW heeft nageleefd, berust op een onjuiste rechtsopvatting en moet reeds daarom falen. Papyrus verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar het arrest van de Hoge Raad van 12 december 2008 (NJ 2009, 332, Maatzorg De Werven/Van der Graaf). Daarin is overwogen dat de omvang van de zorgplicht in de eerste plaats en in elk geval wordt bepaald door hetgeen op grond van de regelgeving op het terrein van de arbeidsomstandigheden van de werkgever wordt gevergd. De publiekrechtelijke veiligheidsnormen gelden als ondergrens. Heeft de werkgever verplichtingen die krachtens de Arbeidsomstandighedenwet en andere publiekrechtelijke regelingen ter zake van arbeidsomstandigheden geschonden, dan is de werkgever in beginsel aansprakelijk voor de letselschade die de werknemer daardoor lijdt. Dat betekent uiteraard niet dat a contrario de werkgever zijn zorgplicht zonder meer heeft nageleefd als geen overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet is vastgesteld, zo overweegt de A-G. Het oordeel van het hof dat ondanks de bevindingen van de Arbeidsinspectie sprake is van schending van de zorgplicht is voldoende gemotiveerd. Het hof heeft verder niet miskend dat de beoordeling welke verplichtingen in een concreet geval op de werkgever rusten, moet plaatsvinden met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Dat het hof bij zijn oordeel overwegende betekenis heeft toegekend aan het reële risico dat het lichaam van de bestuurder van de pompwagen in aanraking komt met de vorken van de orderpicktruck, met kans op aanmerkelijk letsel, is niet onbegrijpelijk. De A-G overweegt voorts dat het hof niet is voorbijgegaan aan de stelling van Papyrus dat werknemer een zeer ervaren werknemer was die voorafgaand aan het ongeval al jaren met de orderpicktruck en de elektrische pompwagen werkte, en die verschillende opleidingen had gevolgd en over verschillende (relevante) certificaten beschikte. De stelling komt bij de weergave van het door Papyrus in r.o. 5.8 gestelde terug en is derhalve door het hof in zijn beoordeling betrokken. Gezien de overweging dat een werkgever ermee rekening heeft te houden dat werknemers weleens nalaten de voorzichtigheid in acht te nemen die ter voorkoming van ongelukken geraden is, is voldoende duidelijk waarom dit een en ander het hof niet tot een ander oordeel heeft gebracht. De A-G herinnert er voorts aan dat het hof heeft overwogen wat Papyrus had moeten doen, maar heeft nagelaten: er golden voor de specifieke situatie, geen specifieke op het concrete risico toegesneden, maar slechts algemene regels; Papyrus heeft zich er niet van vergewist of de inhoud van de regels door de werknemers (algemeen) is gelezen en begrepen; zij had aan de inhoud en het belang daarvan bij herhaling aandacht moeten schenken gezien het specifieke risico; voor werknemer (specifiek) klemt dit temeer nu Nederlands niet zijn moedertaal is.

Verwijzing naar schadestaat

Papyrus klaagt dat het hof heeft miskend dat het had moeten beoordelen of de schadeomvang direct in de uitspraak kon worden vastgelegd, in welk geval geen verwijzing naar de schadestaatprocedure nodig zou zijn geweest. Papyrus ziet er echter aan voorbij dat er een verschil bestaat tussen het vorderen van schadevergoeding nader op te maken bij staat en het vorderen van een verklaring voor recht aangaande aansprakelijkheid voor schade nader op te maken bij staat. In het tweede geval zou de rechter door schadevergoeding toe te kennen buiten de vordering treden.

Oordeel Hoge Raad

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81 lid 1 Wet RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.