Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 4 november 2019
ECLI:NL:RBLIM:2019:10568
werknemer/ Hajnadi Installatietechniek B.V.
Feiten
Werknemer is met ingang van 19 maart 2019 krachtens arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, te weten tot en met 18 november 2019, in dienst getreden van Hajnadi Installatietechniek B.V. (hierna: Hajnadi) in de functie van assistent-monteur. Op 3 september 2019 heeft een gesprek tussen partijen plaatsgevonden waarbij van de zijde van Hajnadi te kennen is gegeven dat zij van een klant te horen had gekregen dat werknemer drugs had gebruikt. Hadjani heeft werknemer diezelfde dag op staande voet ontslagen. Hem wordt verweten in strijd met de gedragscode te handelen door verdovende middelen te gebruiken tijdens de werktijd. Bij verweerschrift heeft Hajnadi te kennen gegeven dat zij het ontslag op staande voet intrekt. Werknemer trekt daarna zijn verzoek tot vernietiging van de opzegging en herstel van de arbeidsrelatie in en vult zijn subsidiaire verzoek aan met een verzoek tot ontbinding van de arbeidsrelatie op zo kort mogelijke termijn en het toekennen van een billijke vergoeding à € 10.000 ex artikel 7:671c BW.
Oordeel
Werknemer heeft zich ter zitting expliciet en ondubbelzinnig op het standpunt gesteld dat Hajnadi het door haar gegeven ontslag op staande voet niet kan intrekken omdat dat ontslag een eenzijdige rechtshandeling is die slechts met toestemming van werknemer kan worden ingetrokken, en die toestemming niet is gegeven. De kantonrechter deelt deze opvatting van werknemer. Nu werknemer dit (echter) gepaard heeft laten gaan met een intrekking van het verzoek om die opzegging te vernietigen, dient de conclusie te luiden dat de arbeidsovereenkomst door de onverwijlde opzegging op 3 september 2019 rechtsgeldig tot een einde is gekomen. Om die reden kan aan het meer subsidiaire verzoek zoals weergegeven onder 3.3 niet worden toegekomen omdat er geen arbeidsovereenkomst meer is die ontbonden kan worden. Dat verzoek wordt dus afgewezen. De overige verzoeken hebben dientengevolge geen connexiteit met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en kunnen daarom als zelfstandige verzoeken niet in deze procedure worden betrokken. Werknemer zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten.