Rechtspraak
Rechtbank Limburg (Locatie Maastricht), 9 januari 2020
ECLI:NL:RBLIM:2020:173
werknemer/Rubber Resources B.V.
Feiten
Werknemer is op 1 januari 1985 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) Rubber Resources B.V. Werknemer was laatstelijk werkzaam in de functie van Coördinator Kwaliteit en Milieu. Op 8 oktober 2014 heeft werknemer zich ziek gemeld. Met ingang van 5 oktober 2016 heeft het UWV aan werknemer een WGA-uitkering toegekend. Per die dag is de loondoorbetalingsverplichting van Rubber Resources geëindigd. Het loon voor einde wachttijd van werknemer bedroeg € 3.792,28 bruto per maand. Bij e-mail van 2 december 2016 heeft Rubber Resources aan werknemer medegedeeld dat zij niet tot ontslag zal overgaan. Bij brief van 14 november 2019 heeft de gemachtigde van werknemer aan Rubber Resources verzocht de arbeidsovereenkomst met werknemer te beëindigen onder toekenning van een vergoeding gelijk aan de transitievergoeding. Werknemer heeft in dat verband Rubber Resources verzocht aan hem een conceptvaststellingsovereenkomst te sturen waarin een en ander is opgenomen. Ondanks daaropvolgende e-mails van de gemachtigde van werknemer van 21, 25 en 28 november 2019 heeft Rubber Resources niet inhoudelijk op dit verzoek gereageerd. Werknemer vordert bij wijze van onmiddellijke voorziening bij voorraad te bepalen dat Rubber Resources verplicht is om de arbeidsovereenkomst met werknemer vóór 1 januari 2020 op te zeggen of haar medewerking te verlenen aan het vóór 1 januari 2020 sluiten van een vaststellings-/beëindigingsovereenkomst onder toekenning van de transitievergoeding ter hoogte van € 75.075 bruto.
Oordeel
Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 8 november 2019 (ECLI:NL:RBLIM:2019:1734) oordeelt de kantonrechter dat Rubber Resources op grond van goed werkgeverschap gehouden was in te stemmen met het in 2019 gedane voorstel van werknemer tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden onder toekenning van een vergoeding gelijk aan de transitievergoeding berekend tot – kort gezegd – einde wachttijd. Voor zover Rubber Resources betoogt te stellen dat er nog re-integratiemogelijkheden zijn, heeft Rubber Resources hiervoor op geen enkele wijze een onderbouwing gegeven. Er zijn dan ook geen gerechtvaardigde belangen om de arbeidsovereenkomst in stand te houden. Verder zijn de gestelde financiële gevolgen van de betaling van de hiervoor genoemde vergoeding ook op geen enkele wijze onderbouwd. De kantonrechter zal de vordering dan ook in zoverre toewijzen dat Rubber Resources wordt verplicht om haar medewerking te verlenen aan een te sluiten vaststellings-/beëindigingsovereenkomst waarbij aan werknemer een vergoeding van € 75.075 wordt geboden. De kantonrechter neemt aan dat de arbeidsovereenkomst eindigt op een datum die is gelegen na 1 januari 2020. Voor zover er nog discussie mocht zijn over de vraag welke rekenregels van toepassing zijn, neemt de kantonrechter tot uitgangspunt dat het overgangsrecht analoog op deze situatie toegepast kan worden. De onderhavige procedure is immers vóór 1 januari 2020 geëntameerd en kan op één lijn worden gesteld met de door de wetgever in het overgangsrecht geregelde gevallen om tot een beëindiging van de arbeidsovereenkomst te komen.