Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/NN Insurance Personeel B.V. c.s.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 26 november 2019
ECLI:NL:RBROT:2019:10745
Beëindigingsovereenkomst met finale kwijting staat in de weg aan toewijzing verklaring voor recht dat werkgever toerekenbaar tekort is geschoten in nakoming arbeidsovereenkomst en schade werknemer moet vergoeden.

Feiten

Werknemer is van 1979 tot 1 september 2011 in dienst geweest van (een rechtsvoorganger van) ING Bank Personeel B.V. (hierna: ING) en vervolgens tot 1 januari 2018 bij NN Insurance Personeel B.V. (hierna: NN). Werknemer en NN hebben in de zomer van 2017 een beëindigingsovereenkomst gesloten. Aan werknemer is een vergoeding van € 393.071 bruto verstrekt, ter compensatie van gederfd en te derven loon. Partijen hebben elkaar over en weer finale kwijting verleend. Werknemer verzoekt thans een verklaring voor recht dat ING en NN ten opzichte van hem toerekenbaar tekortgeschoten zijn in de nakoming van de arbeidsovereenkomst en de schade van werknemer moeten vergoeden.

Oordeel

Dat NN en werknemer een vaststellingsovereenkomst zijn aangegaan, een vaststellingsovereenkomst die werknemer op zichzelf niet aanvecht, staat aan toewijzing van de verzoeken van werknemer in de weg, ook aan het verzoek ten aanzien van ING. De finale kwijting die partijen elkaar over en weer verlenen heeft volgens artikel 28 van de overeenkomst immers ook betrekking op de (groeps)maatschappijen die gelieerd zijn aan NN Group N.V. en haar medewerkers. Werknemer brengt niet naar voren dat ING niet tot die groep behoort. Wat er ook zij van de vele dingen die volgens werknemer in zijn verhouding tot ING en NN fout zijn gegaan: deze kwesties behoren met de vaststellingsovereenkomst tot het verleden. Werknemer heeft bijna veertig jaar voor eerst ING en daarna NN gewerkt. Aan deze samenwerking is per 1 januari 2018 een einde gekomen. Werknemer heeft een vergoeding meekregen en heeft inmiddels een andere baan. Het hoofdstuk ING/NN is met de vaststellingsovereenkomst daarom gesloten. Het ontgaat de kantonrechter waarom en op welk moment bij werknemer het idee opkwam dat er van alles fout is gegaan. Daarbij komt nog – in het geval van ING – dat er zeer veel tijd is verstreken nadat werknemer is overgegaan van ING naar NN. Het gaat om een periode van acht jaar. Voor zover werknemer nog aanspraken zou hebben jegens ING na de vaststellingsovereenkomst (wat op grond daarvan naar het oordeel van de kantonrechter niet het geval is), dan is de vordering jegens ING in elk geval verjaard. De verzoeken van werknemer worden afgewezen.