Naar boven ↑

Rechtspraak

werknemer/Voorne Putten Uitzendbureau B.V.
Rechtbank Rotterdam (Locatie Rotterdam), 28 februari 2020
ECLI:NL:RBROT:2020:1860
Werknemer heeft recht op reiskostenvergoeding als bedoeld in de Cao Glastuinbouw. Werkgeefster is er niet in geslaagd te bewijzen dat zij gratis bedrijfsvervoer aan werknemer heeft aangeboden en dat werknemer dit heeft geweigerd.

Feiten

Werknemer is met ingang van 2 januari 2017 bij Voorne Putten Uitzendbureau B.V. (hierna: Voorne Putten) in dienst getreden als Fase A uitzendmedewerker. Samen met zijn vrouw heeft hij in de periode van januari tot en met december 2017 bij inlener Kwekerij Gebr. Wubben B.V. gewerkt. Op de uitzendovereenkomst is de ABU-Cao van toepassing. Op grond van de inlenersbeloning van de ABU-Cao is Voorne Putten gehouden tot toepassing van dezelfde reiskostenvergoeding als bij de inlener gebruikelijk is. Werknemer zal worden beloond volgens de Glastuinbouw-cao (minimum-cao). Ingevolge lid 3 van artikel 36 van de Glastuinbouw-cao maakt de werknemer geen aanspraak op een reiskostenvergoeding als de werkgever voor zijn rekening bedrijfsvervoer regelt. Werknemer en zijn partner hebben geen gebruik gemaakt van bedrijfsvervoer. Er is een reiskostenvergoeding van € 35 aan de partner van werknemer uitbetaald. Werknemer vordert veroordeling van Voorne Putten tot betaling van € 1.298,50 netto aan reiskostenvergoeding. Aan zijn vordering heeft hij ten grondslag gelegd dat hij op grond van de Glastuinbouw-cao aanspraak maakt op een reiskostenvergoeding of kosteloos bedrijfsvervoer, indien de enkele reisafstand méér dan 10 kilometer bedraagt. De enkele reisafstand bedraagt meer dan 10 kilometer en Voorne Putten heeft geen kosteloos bedrijfsvervoer aan werknemer aangeboden, zodat een reiskostenvergoeding op zijn plaats is, aldus werknemer.

Oordeel

Voorne Putten is toegelaten tot het leveren van bewijs van feiten en/of omstandigheden op grond waarvan geconcludeerd moet worden dat zij aan werknemer gratis bedrijfsvervoer heeft aangeboden en dat werknemer heeft geweigerd daar gebruik van te maken. Er zijn twee getuigen onder ede gehoord. De kantonrechter is van oordeel dat Voorne Putten niet in haar bewijsopdracht is geslaagd en overweegt hiertoe als volgt. Alleen één getuige heeft verklaard dat tijdens de gesprekken met werknemer gratis bedrijfsvervoer aan hem en zijn partner is aangeboden, maar dat hij daarvan geen gebruik wilde maken. Deze verklaring wordt niet ondersteund door de verklaring van de andere getuige, die immers heeft verklaard dat hij niet aanwezig is geweest bij de gesprekken met werknemer over vervoer. De enkele verklaring dat hij zelf één keer een bedrijfsauto naar werknemer heeft gebracht om daarin te rijden, is onvoldoende om het standpunt van Voorne Putten te ondersteunen dat er wel bedrijfsvervoer is aangeboden. Daar komt bij dat de juistheid van de verklaring van de eerste getuige door werknemer in contra-enquête is weersproken. Zowel een collega als de vrouw van werknemer, die aanwezig waren tijdens de gesprekken over bedrijfsvervoer met werknemer, heeft verklaard dat er geen bedrijfsvervoer aan werknemer is aangeboden. Het staat dus niet in rechte vast dat Voorne Putten gratis bedrijfsvervoer aan werknemer (en zijn partner) heeft aangeboden en dat zij hebben geweigerd. Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat hij als werknemer recht heeft op een reiskostenvergoeding op grond van artikel 36 van de Glastuinbouw-cao. Nu Voorne Putten de berekening van de reiskostenvergoeding cijfermatig niet heeft bestreden, zal van de juistheid daarvan in rechte worden uitgegaan. Het gevorderde bedrag van € 1.298,50 netto aan reiskostenvergoeding wordt toegewezen. Mocht sprake zijn van te veel betaalde reiskostenvergoeding aan de partner van werknemer, zoals Voorne Putten stelt, dan kan Voorne Putten dit mogelijk bij de partner van werknemer terugvorderen. Voorne Putten kan in deze procedure geen beroep op verrekening doen, aangezien de partner van werknemer geen partij is in deze procedure.