Rechtspraak
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Locatie Leeuwarden), 17 maart 2020
ECLI:NL:GHARL:2020:2304
Feiten
OP 14 mei 2019 is een tussenarrest uitgesproken. Kern van het geschil is of AFMB en haar werknemers onderworpen zijn aan het regime van de Wet Bpf 2000 en de daarop gebaseerde ‘verplichtstelling tot deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg’ (het Verplichtingstellingsbesluit), zoals het Pensioenfonds aanvoert, maar hetgeen AFMB bestrijdt.
Oordeel
Het Pensioenfonds heeft gezien de door haar ingenomen standpunten kennelijk geen behoefte meer aan verdere stukken en het hof ziet geen reden voor een nader bevel tot ontsluiting van informatie en zal bij de verdere beoordeling uitgaan van de stukken die in het geding zijn gebracht.
Toepasselijk recht
Het hof zal eerst beoordelen of uit het bepaalde in artikel 8 Rome I volgt dat de Wet Bpf 2000 en het Verplichtstellingsbesluit van toepassing zijn. De eerste vraag is of Nederland het gewoonlijk werkland is. Het hof overweegt dat de (grotendeels Nederlandse) chauffeurs, die aanvankelijk in dienst waren bij een in Nederland gevestigde vervoersonderneming, op basis van een overeenkomst tussen die vervoersonderneming en AFMB in dienst werden genomen door AFMB en weer aan die vervoersonderneming ter beschikking zijn gesteld om werkzaamheden voor die vervoersonderneming te verrichten. Uit niets blijkt dat die werkzaamheden feitelijk anders werden aangestuurd dan wel anders moesten worden uitgevoerd. Hier kan nog aan worden toegevoegd dat uit niets blijkt dat AFMB een chauffeur eerst in of vanuit een ander gewoonlijk werkland heeft laten werken voordat deze werkzaam werd voor een Nederlandse transporteur. De conclusie is dat chauffeurs in formele dienst van AFMB ter uitvoering van hun arbeidsovereenkomst gewoonlijk hun arbeid in dan wel vanuit Nederland hebben verricht. Het hof is voorts van oordeel dat uit het geheel van de omstandigheden in dit geval niet blijkt dat de arbeidsovereenkomsten van deze chauffeurs nauwer zijn verbonden met een ander land dan Nederland. Concluderend zijn de chauffeurs ondanks de rechtskeuze voor het recht van Cyprus niet de bescherming verloren die zij genieten op grond van bepalingen van Nederlands recht, waarvan niet bij overeenkomst mag worden afgeweken.
Verplichte deelneming
AFMB stelt dat het Verplichtstellingsbesluit toepassing mist omdat zij geen uitzendonderneming is en geen chauffeurs in dienst heeft die op basis van een uitzendovereenkomst werkzaam zijn bij (hoofdzakelijk) Nederlandse vervoersondernemingen. Voor het antwoord op de vraag of AFMB een uitzendonderneming drijft, is bepalend of de chauffeurs bij AFMB in dienst zijn op basis van een uitzendovereenkomst, door AFMB ter beschikking worden gesteld aan een in Nederland gevestigde vervoersonderneming en aldus hun werk “onder toezicht en leiding” van de opdrachtgevende transporteur verrichten. Niet van belang is of AFMB daarnaast ook andere activiteiten heeft, of ook werknemers uitleent aan buitenlandse bedrijven. Het hof overweegt dat AFMB wat betreft de Nederlandse transporteurs, feitelijk functioneerde als een uitzendorganisatie. Daarnaast is gebleken dat het materieel werkgeverschap bij de opdrachtgevende transporteur werd belegd. Ook uit verklaringen van de chauffeurs blijkt dat zij niets met AFMB te maken hadden als het ging om het werk zelf. AFMB valt dan ook onder de werkingssfeer van het besluit. Ook het verweer dat zij geen werkgever is in de zin van de statuten van het Pensioenfonds kan haar niet baten. AFMB valt immers onder de werkingssfeer van de Wet Bpf 2000 en het daarop gebaseerde besluit. Het bestreden vonnis wordt bekrachtigd.