Rechtspraak
Rechtbank Noord-Holland (Locatie Alkmaar), 25 maart 2020
ECLI:NL:RBNHO:2020:2421
Feiten
Werknemer, geboren in 1953, is op 1 april 1998 in dienst getreden bij werkgeefster. Werknemer is sinds 19 september 2017 wegens ziekte ongeschikt voor zijn werk. Met ingang van 2 oktober 2019 is aan werknemer een WIA-uitkering toegekend, in de vorm van een IVA-uitkering en op basis van een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In een brief van 29 oktober 2019 heeft werkgeefster aan werknemer meegedeeld dat ‘het dienstverband met U is gestopt met ingang van 2 oktober 2019‘. Werknemer verzoekt werkgeefster te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 16.045,25 bruto. Aan dit verzoek legt werknemer ten grondslag – kort gezegd – dat werkgeefster de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd op 29 oktober 2019 en per 2 oktober 2019, en dat werknemer gelet daarop recht heeft op een transitievergoeding. Werkgeefster verweert zich en stelt dat het verzoek van werknemer moet worden afgewezen. Werkgeefster voert daartoe aan – samengevat – dat werknemer geen recht heeft op een transitievergoeding, omdat hij een IVA-uitkering ontvangt en omdat hij op 14 februari 2020 de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.
Oordeel
Uit de wet volgt dat de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd is indien – kort gezegd – de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst door de werkgever is opgezegd (art. 7:673 lid 1 BW). Aan deze beide voorwaarden is voldaan. Werkgeefster heeft de arbeidsovereenkomst immers per 2 oktober 2019 opgezegd en werknemer was al sinds 1 april 1998 bij werkgeefster in dienst. Anders dan werkgeefster meent, is niet van belang dat aan werknemer met ingang van 2 oktober 2019 een IVA-uitkering is toegekend. Er is geen wettelijke bepaling waaruit volgt dat de toekenning van een IVA-uitkering in de weg staat aan het recht op een transitievergoeding. Ook het feit dat werknemer op 14 februari 2020 de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en inmiddels een AOW-uitkering heeft, doet niet af aan het recht op een transitievergoeding. De kantonrechter gaat ervan uit dat werkgeefster op grond van de Wet compensatie transitievergoeding in aanmerking kan komen voor compensatie door het UWV van de te betalen transitievergoeding, als werkgeefster aan de voorwaarden daarvoor voldoet. Een eventuele aanspraak op compensatie voor werkgeefster, of juist het ontbreken ervan, speelt echter geen rol bij de vraag of werknemer recht heeft op een transitievergoeding. Werkgeefster heeft op de zitting verzocht haar toe te staan de transitievergoeding in termijnen te betalen, en in haar brief van 28 februari 2020 vraagt zij om op die vergoeding een bedrag van € 3.000 in mindering te brengen. Daarbij heeft zij erop gewezen dat zij het financieel moeilijk heeft. Die verzoeken van werkgeefster worden afgewezen. Voor het in mindering brengen van een bedrag op de transitievergoeding om de door werkgeefster genoemde reden biedt de wet geen ruimte. Wel kan de transitievergoeding in termijnen worden betaald als de betaling van die vergoeding leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor de bedrijfsvoering van de werkgever (art. 7:673c lid 2 BW). Werkgeefster heeft echter niet aannemelijk gemaakt en niet gemotiveerd of onderbouwd dat daarvan sprake is. Er zijn geen financiële gegevens of stukken overgelegd waaruit kan volgen dat werkgeefster of haar bedrijf het financieel moeilijk zouden hebben. De conclusie is dat werkgeefster zal worden veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding van € 16.045,25 bruto.