Naar boven ↑

Rechtspraak

Vatsouras/Arbeitsgemeinschaft Nurnberg
Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 juni 2009
ECLI:EU:C:2009:344

Vatsouras/Arbeitsgemeinschaft Nurnberg

De afwijking van het gelijkheidsbeginsel op grond van artikel 24 lid 2 Richtlijn 2004/38/EG moet worden uitgelegd in overeenstemming met artikel 39 lid 2 EG-Verdrag, recht op sociale bijstand, communautair werknemersbegrip.

Vatsouras (van Griekse nationaliteit) is in maart 2006 de Bondsrepubliek Duitsland binnengekomen. Vatsouras heeft op 10 juli 2006 een ‘basisuitkering voor werkzoekenden’ aangevraagd bij het Arbeitsgemeinschaft Nurnberg (ARGE). Bij besluit van 27 juli 2006 is hem die uitkering toegekend tot en met 30 november 2006. Deze uitkering is verlengd tot 1 juni 2007. Eind januari 2007 is aan de beroepsactiviteit van Vatsouras een einde gekomen. Het ARGE heeft met een beroep op artikel 7 lid 1, tweede volzin, punt 2, SGB II de uitkering per 30 april 2007 stopgezet. De centrale vraag is of Vatsouras als een ‘werknemer’ in de zin van artikel 39 EG-Verdrag kan worden aangemerkt en indien ja, of artikel 24 lid 2 Richtlijn 2004/38/EG (vrij verkeer van personen), waarin staat opgenomen dat het gastland niet verplicht is een recht op sociale bijstand toe te kennen gedurende de eerste drie maanden of langer verblijf, verenigbaar is met artikel 39 EG-Verdrag.

Het Hof van Justitie EU oordeelt als volgt. De verwijzende rechterlijke instantie heeft vastgesteld dat met ‘de korte en onbeduidende’ beroepsactiviteit van Vatsouras ‘niet in bestaanszekerheid kon worden voorzien’ en dat de door Koupatantze (werknemer in gevoegde zaak) uitgeoefende activiteit ‘net iets meer dan een maand’ heeft geduurd. In dit verband zij eraan herinnerd dat het begrip ‘werknemer” in de zin van artikel 39 EG-Verdrag volgens vaste rechtspraak een communautaire inhoud heeft en niet eng mag worden uitgelegd. ‘Werknemer’ is iedereen die reële en daadwerkelijke arbeid verricht, met uitsluiting van werkzaamheden van zo geringe omvang dat zij louter marginaal en bijkomstig zijn. Volgens deze rechtspraak wordt de arbeidsverhouding daardoor gekenmerkt, dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander onder diens gezag prestaties verricht tegen beloning (zie onder meer HvJ EG 3 juli 1986, Lawrie-Blum, zaak C-66/85, Jurispr. blz. 2121, punten 16 en 17, en HvJ EG 11 september 2008, Petersen, zaak C-228/07, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, blz. 45). Noch het geringe niveau van die beloning, noch de herkomst van de middelen waaruit deze wordt betaald, kunnen gevolgen hebben voor de hoedanigheid van ‘werknemer’ in de zin van het gemeenschapsrecht (zie HvJ EG 31 mei 1989, Bettray, zaak C-344/87, Jurispr. blz. 1621, punt 15, en HvJ EG 30 maart 2006, Mattern en Cikotic, zaak C-10/05, Jurispr. blz. I-3145, punt 22). Het feit dat het inkomen uit een beroepsactiviteit onder het bestaansminimum ligt, belet niet dat de persoon die deze activiteit verricht, kan worden aangemerkt als ‘werknemer’ in de zin van artikel 39 EG-Verdrag (zie HvJ EG 23 maart 1982, zaak C-53/81, Levin, Jurispr. blz. 1035, punten 15 en 16, en HvJ EG 14 december 1995, Nolte, zaak C-317/93, Jurispr. blz. I-4625, punt 19), ook indien de betrokkene de beloning tracht aan te vullen met andere middelen van bestaan, zoals financiële steun die uit de openbare middelen van de woonstaat wordt gefinancierd (zie HvJ EG 3 juni 1986, Kempf, zaak C-139/85, Jurispr. blz. 1741, punt 14). Wat bovendien de duur van de uitgeoefende activiteit betreft, kan de omstandigheid dat een betrekking in loondienst van korte duur is, op zich de toepassing van artikel 48 van het Verdrag niet uitsluiten (zie HvJ EG 26 februari 1992, Bernini, zaak C-3/90, Jurispr. blz. I-1071, punt 16, en HvJ EG 6 november 2003, Ninni-Orasche, zaak C-413/01, Jurispr. blz. I-13187, punt 25). Derhalve kan niet worden uitgesloten dat deze beroepsactiviteit, ongeacht het geringe niveau van de beloning en de korte duur ervan, na globale beoordeling van de betrokken arbeidsverhouding door de nationale autoriteiten als een reële en effectieve activiteit wordt beschouwd en dat de belanghebbende derhalve de hoedanigheid van ‘werknemer’ in de zin van artikel 39 EG-Verdrag krijgt toegekend.

Artikel 24 lid 2 Richtlijn 2004/38/EG derogeert aan het beginsel van gelijke behandeling waarop een beroep kan worden gedaan door andere burgers van de Unie dan werknemers of zelfstandigen of personen die deze status hebben behouden, en hun familieleden, die op het grondgebied van een ontvangende lidstaat verblijven. Volgens deze bepaling is het gastland niet verplicht een recht op sociale bijstand toe te kennen aan onder meer werkzoekenden gedurende de langere periode waarin zij gerechtigd zijn er te verblijven. De onderdanen van een lidstaat die op zoek zijn naar een dienstbetrekking in een andere lidstaat, vallen binnen de werkingssfeer van artikel 39 EG-Verdrag en genieten bijgevolg het in lid 2 van deze bepaling genoemde recht op gelijke behandeling (HvJ EG 15 september 2005, Ioannidis, zaak C-258/04, Jurispr. blz. I-8275, punt 21). Bovendien kan een financiële uitkering die de toegang tot arbeid op de arbeidsmarkt van een lidstaat beoogt te vergemakkelijken, gelet op de invoering van het burgerschap van de Unie en de uitlegging van het recht van de burgers van de Unie op gelijke behandeling, niet langer van de werkingssfeer van artikel 39 lid 2 EG-Verdrag worden uitgesloten (HvJ EG 23 maart 2004, Collins, zaak C-138/02, Jurispr. blz. I-2703, punt 63). Hoe dan ook moet de afwijking waarin artikel 24 lid 2  Richtlijn 2004/38/EG voorziet, worden uitgelegd in overeenstemming met artikel 39 lid 2 EG-Verdrag. Uitkeringen van financiële aard, die – zoals in casu – ongeacht de kwalificatie ervan in de nationale wetgeving bestemd zijn de toegang tot de arbeidsmarkt te vergemakkelijken, kunnen niet als een ‘recht op sociale bijstand’ in de zin van artikel 24 lid 2 Richtlijn 2004/38/EG worden beschouwd.